| RAUTAVAARA |
|
RAUTAVAARA EINOJUHANI (1928 - ): SIBELIUS ERFGENAAM
Hoewel de herleving van religieuze spiritualiteit in de laat twintigste eeuwse muziek vooral wordt toegeschreven aan de drie-eenheid van de ‘heilige minimalisten’ – Pärt, Gorécki en Tavener – ontsproot een aantal van de diepzinnigste spirituele muziekwerken aan de geest van de éminence grise van de eigentijdse muziek: Einojuhani Rautavaara (1928). In tegenstelling tot Pärt en de anderen schrijft Rautavaara geen ‘religieuze muziek’ als zodanig, maar zijn muziek is wel doordesemd met een krachtige mystieke kwaliteit die in hoge mate is geïnspireerd door de elementaire krachten en eigenschappen uit het landschap van zijn geboorteland. De laatste tijd ontwikkelde hij een soort obsessie voor de engel als Jungiaans oertype. “Die engel tolt in mijn geest als een mantra die muzikale energie uitstraalt”, zei hij hierover. Diverse van zijn werken werden hier inderdaad door geïnspireerd, te beginnen met Angels and visitations uit 1977 dat uitgroeide tot een cyclus met Angel of dusk en Playgrounds for angels als vervolg en de serene, uitgebreide zevende symfonie met de ondertitel Engel des lichts (1994) als – voorlopig? – slot. Wie bekend is met het werk van Pärt, Górecki en Tavener zal de ruimtelijk genereuze opzet van dit essay herkennen, al gaat het hier duidelijk meer om natuurbeleving dan een quasi religieuze uiting. In vergelijking is Annunciations (1977, voor orgel, koperkwartet, blaasorkest en slagwerk) veel ruiger en in technisch opzicht veeleisender. Alleen al de orgelist moet erg virtuoos zijn. De muziektaal is hier veel radicaler. De stijl reikt van de oeroude dreun aan het begin via een canon tot de activiteit van ‘bosvogels’ en het nieuwe effect van een uitgeschakelde orgelmotor waardoor de ‘noten van een dicht akkoord griezelig door de ruimte dwarrelen’. Rautavaara beschouwt zichzelf als een romantisch componist vanwege de stilistische vrijheid die hem heilig is: “Een romanticus heeft geen coördinaten. In de tijd gezien is hij gisteren en morgen, maar nooit vandaag.” In een interview uit april 2000 legde hij verder de nadruk op instabiliteit, op plooibaarheid: “Wanneer een kunstenaar geen modernist is zolang hij jong is, bezit hij geen hart; wanneer hij op zijn oude dag nog een modernist is, bezit hij geen hersens.” Gedurende zijn loopbaan onderging zijn muziek enige gedaantewisselingen. Als student van Aare Merikanto aan de Sibelius academie in Helsinki uitte hij zich in neoklassieke stijl zoals dat destijds daar gangbaar was. Op aanbeveling van de toen negentigjarige Sibelius kreeg hij een beurs om in de V.S. verder te studeren. Daar vervolmaakte hij zijn al aanzienlijke orkestrale techniek aan de Juilliard School bij Vincent Persichetti en Roger Sessions in Tanglewood. In 1954 won hij de Thor Johnson prijs met zijn oratorium A requiem in our time. Verdere reizen en meer studie in Europa deden hem aan het eind van de jaren vijftig vorige eeuw de dodecafonie omarmen, maar zelfs waar hij de principes van het serialisme strikt volgde, behield zijn muziek een emotionele lading die dichter bij het expressionisme van Berg dan bij de principiële strengheid van Webern staat. Orkestwerken Sinds de jaren zeventig bekende hij zich openlijk tot een romantisch idioom. Het mooiste voorbeeld hiervan is het bijzondere werk Cantus arcticus uit 1972. Het werk is door de componist omschreven als een concert voor vogels en orkest en het plaatst zijn eigen opnamen van arctische vogelgeluiden als een soort Noordse Messiaen tegenover heel subtiele, lyrische orkestrale klanken. Het resultaat is een geheimzinnige en exotische klankwereld waarbij de vogelgeluiden komen en gaan in het vrij sombere halflicht van ’s componisten orkestrale landschappen. Het is tot op zekere hoogte een heel plaatsgebonden muziek die in strikte zin niet programmatisch is, maar die wel in sterke mate beelden oproept van de meren en wouden in het arctische Finland. Voortdurend voelt men de vreugde van iemand die één is met de elementen: met ontzag vervuld, tevreden, geïnspireerd. Vogelzang komt letterlijk uit alle richtingen via een bandopname, waarbij Respighi’s nachtegaal uit Pini di Roma totaal verbleekt. Het orkest zorgt voor een rustieke achtergrond en het werk eindigt met een geruststellende kakofonie van ‘trekkende zwanen’. Als inspiratiebron voor On the last frontier (1997) diende een jeugdherinnering aan The narrative of of Arthur Gordon Pym van Edgar Allan Poe. Hij noemde het een ‘haast oeverloos zeevaartverhaal in de typische jongensboek sfeer’ en waagde zich vervolgens aan een 24 minuten durende descriptieve muzikale reportage, die niet precies is gebaseerd op Poe’s relaas, maar alleen op het laatste gedeelte daarvan. Het resultaat is een veelbewogen, majestueus symfonisch gedicht, dat verder wordt gevoed door fraaie instrumentale soli en pakkende inbreng van een koor. Het geheel heeft een aura van ongeëxploreerde maritieme diepten en een sterk mystiek gevoel. Iets totaal anders in de prachtige, jammer genoeg nog een kwartier durende Playground for angels (1981), een soort muzikaal verstoppertjespel met duistere, lage koperklanken en gevatte instrumentale verstrengelingen. Het werk herinnert in de verte aan Janáčeks Capriccio. Het Requiem in our time voor koperensemble en slagwerk (1953) is door de componist bestempeld als een werk waarmee hij een doorbraak bereikte omdat hij er in Cincinnati een compositieprijs mee won voordat hij bij Copland ging studeren. Het werk is opgedragen aan zijn net tevoren overleden moeder en verraadt invloeden van Vaughan Williams; het karakter is meer bedroefd dan treurig. A soldier’s mass (1968) is opnieuw een stuk voor koperensemble. Symfonieën Het eerste tweetal symfonieën heeft iets onvermijdelijks in zich en herinnert enigszins aan Shostakovitch en Simpson. De derde symfonie (1960) is een dramatisch werk met Bruckneriaans karakter, beginnend en eindigend in d-klein en met een wezenlijk aandeel van vier Wagner tuba’s. Het langzame deel is somber en intens, het ‘scherzo’ heeft wat weg van Nielsen of Martinů. Een ander kernwerk is de vijfde symfonie uit 1986, een ééndelig werk voor een zwaar bezet orkest waarin een strijd wordt geleverd om de tegenspraak te verzoenen die schuilt in de kern van het statement aan het begin – een drieklank in majeur die langzaam pulseert en tot een fortissimo aanzwelt en dan desintegreert in dissonanten. Dat dramatische begin gaat over in een duister chromatisch thema voor altviolen en celli dat enigszins herinnert aan de fuga uit het eerste deel van Bartóks Muziek voor snaren, slagwerk en celesta maar dat geleidelijk verdrinkt in een kakofonie van wauwelende houtblazers. De oorspronkelijke (onder)titel luidde Monoloog met engelen en het gaat om een uitgesproken bedrukt romantisch werk, de plotselinge uitbarstingen van modernistische ‘angst’ ten spijt. Materiaal uit de opera Vincent over het leven van Vincent van Gogh vormt de basis van de zesde symfonie. Geen wonder dus dat het om een kleurig, fel werk gaat. De tegenstellingen tussen conflicterende elementen vormen een wezenlijk bestanddeel van Rautavaara’s stijl, die hij met name ook in zijn zevende symfonie, Angel of light mooi laat uitkomen. Het werk begint ‘Tranquillo’ in een rustige, maar krachtige sfeer die sterk aan Sibelius herinnert, vooral als een soort echo van het largo uit diens vierde symfonie, terwijl het afsluitende ‘Pesante-cantabile’ meer uit de wereld van Hovhaness lijkt te komen. De engelgedachte heeft volgens de componist ‘een archetype, een van de oudste tradities en eeuwige begeleiders van de mensheid’ als achtergrond. Deze op Jung gebaseerde as wordt weerspiegeld in monolithische akkoorden, etherische harmonische verwerkingen (steeds breed van aard en hoogreikend) en een volslagen onzelfzuchtige soort muzikale ontwikkeling. De fixatie van de componist op engelen heeft niet zozeer te maken met antromorfische figuren uit de Christenheid, maar is sterker gerelateerd aan de grimmige en afschuwelijke verschijningen uit Rilke’s Duineser Elegien uit 1923 of de mystieke visioenen van William Blake. Het werk ontstond na een bezoek aan zijn vroegere weldoenster, Olga, de weduwe van de contrabasspeler/dirigent Serge Koussevitzky die lang het Boston symfonie orkest leidde. Zij stelde hem voor om een contrabasconcert te schrijven. De achtste symfonie (2000) werd besteld door het Philadelphia orkest en ging daar onder Wolfgang Sawallisch nog datzelfde jaar in première. Opnieuw domineert natuurgevoel en onbetwist hoogtepunt is het derde deel. De muzikale groei spreekt uit de geleidelijke transformatie, uit het krachtige verhalende element en ‘de groei van nieuwe, andere aspecten en perspectieven uit de voorgaande bij wisselende belichting en kleuring’. Concerten Tijdens de vlucht naar huis zag Rautavaara een wolk in de vorm van een engel. Dat leverde de inspiratie voor twee werken: een ouverture Angels and visitations (1978) en een contrabasconcert, Angel of dusk (1980). Angel of light (1994) is het meest serene en fonkelendste temidden van deze ‘engelachtige’ werken. Het begin ademt in een langzaam ritme als een gigantische astronomische klok met een teer golvend ostinato in de hoge strijkersregionen dat van interpunctie wordt voorzien door ijzig klinkende vibrafoon akkoorden en granieten pedaaltonen van de contrabassen. Al even indrukwekkend is de ontketende heftigheid van het tweede deel; de razernij hiervan vormt een sterk contrast met de heldere kwaliteiten van het werk als geheel. Terugdenkend aan de vruchtbare orkestwerken die aan het begin van de twintigste eeuw ontstonden – de symfonische gedichten van Richard Strauss, de vroege werken van Scriabin, de symfonieën van Mahler, Debussy’s Nocturnes – en dan een sprong van honderd jaar vooruit maken naar Rautavaara’s zoetvloeiende Autumn gardens (1999) onderstreept haast eeuwigdurende muzikale waarden die in het midden van die eeuw tekort werden gedaan. Het gevaar bestaat om Rautavaara’s nieuwsoortige consistentie te verwarren met zelfingenomenheid, maar in dit werk gaat de componist alleen maar een stap verder dan in zijn zevende symfonie. Dat blijkt vooral in de geanimeerde finale, die ‘giocoso e leggiero’ begint voordat een figuurtje van vier noten in barokstijl opduikt. Het klinkt eerst in de fagot, verandert van timbre en focus (pauken en buisklokken spelen daarbij een belangrijke rol) en inspireren tot slot de strijkers tot lyrische hoogten. Het prikkelend georkestreerde eerste deel lijkt te refereren aan vriendelijk slaande vleugels met gloeiende modulaties die soms verduisterend werken, hoewel ze het materiaal nooit aantasten. Het overpeinzende middendeel volgt zonder onderbreking. Wie van een orkestraal avontuur houdt en daarenboven piano aficionado is zal veel genoegen beleven aan het eerste pianoconcert (1969). Het is een briljant. direct aansprekend werk en in de solopartij wordt gebruik gemaakt van clusters en veel filigraan vingerwerk, maar het is het nobele, koraalachtige tweede deel dat de diepste indruk nalaat. Het derde pianoconcert (1998) werd geschreven op verzoek van Vladimir Ashkenazy. Het is vrij meditatief van aard al treden er clusterachtige dissonanten in op. Het werkt lijkt in de verte verwant met Bartóks tweede pianoconcert. Het strijkersmotief aan het begin is eenvoudig en streng, de pianopartij eerder vrijpostig of decoratief dan uitgesproken pianistisch. Als geheel gezien herinnert het werk enigszins aan de schrijfwijze van Debussy en Delius en is het eerder een orkestraal symfonisch gedicht met pianosolo dan een pianistisch showstuk. Het tweede deel is het treffendst met vrij ruige inbreng van het koper en prachtige slotbladzijden. De ‘Energico’ finale is groots opgezet. Het celloconcert (1968) is een fraai samenhangend, goed beargumenteerd werk. Het kleurige fluitconcert (1975) met de ondertitel Dansen met de wind is een extrovert werk dat Nielsen als voorvader zou kunnen hebben. Het solomateriaal is verdeeld over gewone fluit, basfluit, altfluit en piccolo. Het drukke eerste deel bevat wat felle tussenwerpsels van het koper, het korte tweede deel roept de schrille wereld van pijpers en trommels in herinnering, het elegische ‘Andante moderato’ laat de altfluit schitteren en de wisselende stemmingen uit de finale hebben iets weg van Bernstein op zijn uitbundigst. Een van de laatste bijdragen aan de concertante literatuur is het harpconcert (2001), een overheersend overpeinzend en zeer verbeeldingsvol stuk. De componist voorzag ook het orkest van twee harpen ‘om waar nodig te zorgen voor een heel volle en weelderige harpklank’. Kamermuziek Het blaasoctet (1962) getuigt van een in expressief opzicht redelijk gevarieerde dodecafonie. In de vier strijkkwartetten uit respectievelijk 1952, 1958, 1975 en 1997 ontmoeten we als het ware viermaal de componist in diverse gedaanteverwisselingen, te beginnen met de jonge vogel die in een werk van amper elf minuten net zijn vleugels uitslaat met herinneringen aan Kodály en geïnspireerd is door volksmuziek via de dodecafonische dweper die het expressieve potentieel van ‘het systeem’ oprekt tot de triomfantelijke melodicus met zijn unieke mengeling van harmonische complexiteit. Hoogtepunten uit het tweede kwartet zijn het tweede en vierde deel. Interessant is ook het strijkkwintet (1997) Unknown heavens dat zijn bijnaam ontleent aan een eerder werk voor mannenkoor, voor het eerst in maat twee van het eerste deel (‘waar de tweede viool antwoord geeft op een door de eerste gestelde vraag’) en daarna nog herhaaldelijk en herzien (met omgekeerde intervallen) aan het bedgin van het vierde deel. Het derde deel begint als celloduet en rechtvaardigt de kwintetvorm. Wat ongewoon in dit genre is Hymnus (1998) voor trompet en orgel. Pianowerken Het interessantst aan pianowerken van een componist die primair bekend werd met zijn orkestwerken, is het speuren naar vingerafdrukken die zijn muzikale persoonlijkheid verraden. Rautavaara’s pianomuziek zit vol van dergelijke tekenen, zelfs al in een vroeg werk als de Preludes op. 7 (1956) toen de componist zicht uitte in een soort clandestien protest tegen de neoklassieke beperkingen waarop hij in Helsinki en de V.S. stuitte. Hij studeerde destijds bij Copland, maar hield die Preludes voor zichzelf, hoewel Copland duidelijk om de hoek kijkt aan het strenge begin van ‘The black madonna of Blakernaya’ uit de Icons (0ok 1956). Het is niettemin een van ’s componisten treffendste pianostukken. De doorschijnende kleuren van ‘The baptism of Christ’ zijn heel effectief, net als de sereniteit van ‘The holy women at the Sepulchre’. Aspecten van ‘engelen’ zijn – bewust of onbewust al aanwezig in de Etudes (1969). In elk van hen wordt een verschillend interval aangepakt: tertsen in nr. 1, septiemen in nr. 2, dan drieklanken, kwarten, secunden en kwinten. Nummer drie herinnert aan Messiaen, nummer 5 aan Bartók, maar Rautavaara’s eigen stem domineert. De spiritualiteit viert hoogtij in de beide pianosonates ‘Christus und die Fischer’ (1969) en ‘The fire sermon’ (1970), hoewel de tweede eindigt met een vlaag van onverwachte contrapuntische bruutheid. Maar misschien wel het mooiste gedeelte komt voor in het korte, doch ontroerende middendeel van de slechts drieëneenhalve minuut vergende Partita (1956) met zijn milde sporen van Bartók. Koorwerken Hoewel de fundamenten van Vigilia (1972) in de Finse orthodoxe kerk liggen, overstijgt het werk de beperkingen van dat religieuze dogma. Rautavaara’s kostelijke mengeling van het oude en het nieuwe komt fraai uit in het ‘Eerste katima’ waar eerst de sopraan en de alt, later de tenor en de bariton uitroepen ‘Gezegend is de mens die niet in het ongoddelijke toeft’. De harmonische tendens is hierr duidelijk ‘post renaissance’, terwijl de daarop volgende ‘Alleluia’s’ daarentegen uitgesproken ‘post romantisch’ zijn, waarna we met verzekering van ‘De Heer de weg der rechtschapenen’ wijst de luisteraar terugbrengt in de vertrouwde, natuurminnende sfeer van de zevende symfonie. Het a cappella Vigilia bevat invloeden van Bartók, Messiaen en Stravinsky, maar heeft ook iets heel eigens en de toepassing hier van oude kerktoonsoorten loopt ongeveer parallel met die van Reich in bijvoorbeeld Tehillim en Proverb. Ook de variatietechniek viert hoogtij. Opera Rautavaara schreef ook enige opera’s, waarvan Thomas (1985), Vincent (1990) en Aleksis Kivi (1997) het bekendst zijn. Van beide eerstgenoemde werken bestaan – hier onbekende - volledige opnamen.
Selectieve discografie Sampler met fragmenten uit Cantus arcticus, Angel of light, celloconcert, Isle of bliss, vioolconcert, symfonie no. 3, Unknown heavens, Vigilia, canto IV en pianoconcert nr. 1. Diverse uitvoerenden. Ondine ODE 608-2. Cantus arcticus; strijkkwartet no. 4; Symfonie no. 5. Omroeporkest Leipzig o.l.v. Max Pommer; Catalyst 09026-62671-2. Cantus arcticus; Pianoconcert op. 45; Symfonie no. 3. Laura Mikkola met het Schots nationaal orkest o.l.v. Hannu Lintu. Naxos 8.554147. A requiem in our time. Petri Alanko, Jussi Jaatinen, Harri Mäki, Otto Virtanen, Esa Tapani, Mika Paajanen, Jouko Harjanne, Pasi Pirinen, Jorma Rautakoski, Aki Välmäki, Valtteri Malmivirta, Seppo Murto met het Fins koperorkest o.l.v. Hannu Lintu. Ondine ODE 957-2. Symfonieën no. 1-3. Omroeporkest Leipzig o.l.v. Max Pommer. Ondine ODE 740-2. Symfonie no. 6 Vincentiana; Celloconcert. Marko Ylönen met het Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Max Pommer. Ondine ODE 819-2. Symfonie no. 7 Angel of light; Cantus arcticus; fluitconcert Dances with the winds. Petri Alanko met het Lahti symfonie orkest o.l.v. Osmo Vänskä. Symfonie no. 7 Angel of light; Annunciations. Kari Jussila met het Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Leif Segerstam. Ondine ODE 869-2. Symfonie no. 8; Harpconcert. Marielle Nordmann met het Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Leif Segerstam. Ondine ODE 978-2. Pianoconcert no. 3 Gift of dreams; Autumn gardens; interview. Vladimir Ashkenazy met het Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Ondine ODE 950-2. Vioolconcert; Isle of bliss; Angels and visitations. Elmar Oliveira met het Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Leif Segerstam. Ondine ODE 881-2. Contrabasconcert Angel of dusk; Cantos I-III; Concert voor vogels en orkest Cantus arcticus; Epitaph for Béla Bartók; Hommage à Ferenc Liszt; Hommage à Zoltán Kodály; A requiem in our time; klarinetsonate; strijkkwartet no. 2. Diverse uitvoerenden. Finlandia 3984-27003-2 (2 cd’s). Fluitconcert Dances with the winds; Anadyomene; On the last frontier. Patrick Gallois, het Fins filharmonisch koor en het Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Leif Segerstam. Ondine ODE 921-2. Strijkkwartetten no. 1 en 2; Strijkkwintet Unknown heavens. Jan-Erik Gustafson met het Jean Sibelius kwartet. Ondine ODE 909-2. Pianowerken. Laura Mikkola. Naxos 8.554292. Vigilia. Pia Freund, Lilli Paasiviki, Topi Lehtipuu, Petteri Salomaa, Jyrki Korhonen met het Fins omroep kamerkoor o.l.v. Tino Nuoranne. Ondine ODE 910-2. Thomas. Solisten, Savonlinna festival koor, stedelijk orkest van Joensuu o.l.v. Pekka Haapasolo. Ondine ODE 704-2 (2 cd’s). Vincent. Solisten met het Ensemble van de Finse nationale opera o.l.v. Fuat Manchurov. Ondine ODE 750-2.
|
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
