| ARMIDA |
|
ARMIDA EN RINALDO
Achtergronden
De aan Armida gewijde episode vormt slechts een van de talloze nevenhandelingen uit het versepos.
In de verte vertoont het relaas overeenkomst met Purcells Dido and Aeneas uit 1689: een nobele krijger verliest zijn manschappen tengevolge van de liefde totdat de plicht roept en hij er de geneugten des vlezes aan geeft.
Het is heel logisch dat de eerste aandacht van componisten naar deze verlokkende stof uitging van Italianen. Eredi zal eind zeventiende eeuw een der eersten zijn geweest die er een koorwerk op baseerden. In zijn prille Italiaanse tijd wijdde Händel in 1707 een zesdelige cantate aan Armida, bestaande uit drie recitatieven, twee aria’s en een Siciliana tot slot aan het epos. Het wordt hier allen vanuit het standpunt van de hoofdpersoon bezongen.
Maar evenzeer logisch waren het vooral operacomponisten die zich met graagte op het materiaal stortten. Dat waren achtereenvolgens Lully (1686), Jomelli (1770), Salieri (1771), Gluck (1777), Haydn (1783), Sarti (1786), Rossini (1817) en Dvorak (1904).
Lully als Frans vernieuwer van de opera, werd geïnspireerd door het libretto van Philippe Quinault, waarvan ook Gluck later gebruik maakte. Dat het hem lukte om de materie zo’n dramatische wending te geven, is vooral te danken aan zijn flexibele behandeling van de melodielijnen waarmee hij een grote dramatische kracht opwekt. Zijn recitatieven blijven in de buurt van de normale spreekritmen en zelfs de bewerkelijkste aria’s houden de handeling niet op zoals dat in de Italiaanse opera maar al te zeer het geval is.
Gluck beschouwde zijn Armide als “mogelijk het beste van al mijn werken’. Toch heeft deze vijfde van zijn zeven ‘reform opera’s’ nooit de populariteit bereikt van zijn Alceste, Orfeo, beide Iphigénies en zelfs Paride ed Elena. Misschien was de emotionele lading van het libretto te gering voor hem en komen de figuren op het tweede plan te weinig uit de verf, Het bijzondere karakter van het werk bestaat echter uit het sensuele karakter van de muziek enerzijds en op de grote dramatische scènes anderzijds. Met name die van Armida aan het eind van de tweede akte en uiteraard in haar furieuze slotaria.
Armida was de laatste opera die Haydn voor de opera in Esterháza componeerde. Een werk dat groot succes had met 54 opvoeringen tussen 1784 en 1788 en een van zijn eerste ondernemingen op het gebied van de opera seria in een dramma eroico. Nadat Antal Dorati op Decca (nu Philips 432.438-2, 2 cd’s) ons destijds in 1978 vertrouwd maakte met dit werk en er het belang van aantoonde, is de status ervan alleen maar nader bevestigd.
Ook Rossini’s Armida is een van de mooiste muzikale vertoningen van Tasso’s geschiedenis van de verleidster met haar bovennatuurlijke krachten. Eigenlijk alleen Lully, Händel, Gluck en de kenmerkend grootse Brahms hebben met hem een plaatsje op de eregalerij. Zijn werk is kenmerkend voor zijn Napolitaanse tijd met vooral virtuoze partijen voor de tenor en een fraaie show als finale. Specifiek gedacht voor de beroemde sopraan Isabella Colbran.
De overige opera’s van Jomelli, Salieri en Dvorak leiden een bestaan in de schaduw, maar zijn voor de ware belangstellende toch wel de moeite van het nader een keer kennisnemen waard.
De muzikale komedie van Cimarosa uit het eind van de achttiende eeuw wordt hier alleen op grond van zijn titel vermeld, niet vanwege de geheel afwijkende inhoud.
Volledigheidshalve zijn hieronder ook nog de aan Rinaldo gewijde werken opgenomen: de opera van Händel uit 1711 en de cantate met bijna operakarakter van Brahms uit 1868.
Armida Giovanna Donadoni, Simon Edwards, Giovanni Chiarolla, Domenico Colaianni e.a. met het Ensemble van het Teatro Massimo Bellini Catania o.l.v. Eric Hull. Dynacord 500.205 (3 cd’s).
Joanna Borowska, Pavel Daniluk, George Fortune, Vratislav Kriz, Wieslaw Ochmann e.a. met het Praags kamerkoor en het Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Gerd Albrecht. Orfeo C 404962H (2 cd’s). 1995
Gedeelten: Elyma ensemble o.l.v. Gabriel Garrido. K 617 K 617095-2. 1997
Véronique Gens met Les basses réunis. Virgin 545.283-2. 1996 Joseph Haydn (1732-1809): Armida, opera in 3 aktes H. XXVIII/12, libretto Haydn. (1783)
‘Caro mio ben, mia vita’: Aris Christoffelis met Seicentonovevento ensemble o.l.v. Flavio Colusso. EMI 556.134-2 1995
Mireille Delunsch, Françoise Masset, Nicole Heaston, Laurent Naouri, Vincent le Texier, Charles Workman, Yann Beuron, Ewa Podles, Magdalena Kozena e.a. met Les musiciens du Louvre en koor o.l.v. Marc Minkowski. Archiv 459.616-2 (2 cd’s). 1996
Cecilia Gasdia, Chris Merritt, William Matteuzzi, Bruce Ford, Charles Workman, Ferruccio Furlanetto met het Ambrosian koor en I solisti Veneti o.l.v. Claudio Scimone. Arts Music 47327-2 (2 cd’s). 1990
Ouverture: Slowaaks omroeporkest o.l.v. Michael Dittrich. Naxos 8.554838. (1992)
‘Lungi del caro bene’: Renata Tebaldi en Giorgio Favaretto. Decca 452.472-2 (2 cd’s). 1956
Steve Davislim met het Ernst Senff koor en het Dresdens filharmonisch orkest en –koor o.l.v. Michel Plasson. EMI 556.983-2. 1999
David Daniels, Cecilia Bartoli, Bernarda Fink, Gerald Finley, Luba Orgonasova met de Academy of ancient music o.l.v. Christopher Hogwood. Decca 467.087-2 (3 cd’s). 1999 |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
