| SALLE, LISE DE LA |
|
LISE DE LA SALLE: WONDERKIND AAN DE PIANO Op de keper beschouwd valt niet zoveel te vertellen over afzonderlijke virtuozen. De criticus behelpt zich meestal met de beschikbare gegevens en vergelijkingen en dreigt zo in de rol van een prijsrechter te vervallen. Nuttiger is het om een kunstenaar te beoordelen door hem in zijn tijd te plaatsen, zijn geestelijke profiel te schetsen en het bijzondere, het opmerkelijke van zijn interpretatiekunst te karakteriseren. Dat is lastig genoeg want niet ten onrechte verbaasde Pope zich al over het feit dat er zo’n groot verschil bestaat tussen Dideldom en Dideldei. Het is namelijk niet zo eenvoudig dat verschil in woorden uit te drukken.In de negentiende eeuw werd de methode van de rationele calculatie tot principe verheven. In de ordening van alle relevante waarden die Herbert Spencer (de filosoof onder de boekhouders en de boekhouder onder de filosofen) neemt de kunst geen belangrijke plaats in: hij wordt slechts getolereerd. Niettemin zocht de maatschappij die het denken tot rekenen verhief naar een extra emotionele component. Als er geen kunst zou zijn geweest in de warenproducerende, meerwaarden zoekende maatschappij, dan had die moeten worden uitgevonden. Niet als de visie op een andere, betere wereld maar als vluchtroute, als fraai spel, als irrationele, raadselachtige vervolmaking van de angst inboezemende, onverdraaglijk rationele en materialistische wereld.Als eerste drong de roman door in de intieme kunstwereld; hij leverde romantische visioenen die meestal weinig gemeen hadden met de historische werkelijkheid. Veel krachtiger kon het streven naar een grote romantische betekenis en belevenis zich doorzetten via de uitvoerende kunstenaar. Het talent van een virtuoos, dat was het irrationele element waarnaar de alledaagse maatschappij snakte. Men kon dan getuige worden van een mysterie en zich uitleven in bewonderingTegenwoordig wordt in de verregaand geseculariseerde wereld zelden meer gesproken van ‘goddelijk’ spel van een virtuoos, zelfs niet in overdrachtelijke betekenis. ‘Goddelijk’ is nu meer een synoniem van ‘volmaakt’, waarbij maar al te makkelijk wordt vergeten dat de termen ‘God’ en ‘Duivel’ en ‘Hemel’ en ‘Aarde’ nog niet eens zo lang geleden als termen van een metaforische retoriek golden. Het irrationele verlangen had deze begrippen nodig om de virtuoze volmaaktheid te relateren aan een Faustiaans duivelspact. Goethe wist weliswaar dat het verstand door voortdurend oefenen ‘in de vingers’ terecht kon komen, maar het grote publiek vond eeuwenlang geen rationele verklaring voor de techniek van een uitvoerend kunstenaar. Wie het over Satan had, bedoelde echt de Duivel. Men dacht dat de menselijke volmaaktheid alleen te bereiken was door een pact met Mefisto te sluiten.Men leze na wat Tartini over het ontstaan van zijn Duivelstriller sonate noteerde. Nog duidelijker kwam dat verschijnsel naar voren bij optredens van Paganini. In 1829 schreef de Berlijnse Zeitung für die elegante Welt daarover: Jedermann errät es jetzt und hätte es längst merken können, daß Paganini und der Satan in der engsten Beziehung stehen, wenn einer nicht gar mit dem anderen identisch is; ich sage, man hätte es längst merken können, bloß an dem Violinspiele.” De sociologische samenhang tussen de irrationele opvattingen over het virtuozendom en de rationaliteit van het leven van alledag, tussen de ratio van de maatschappij en de duivelse kunst komt trouwens nog mooier tot uiting in een – hier kortheidshalve niet nader te citeren – gedicht van Karl von Holtei uit datzelfde jaar 1829.De reactie die een virtuoos bij het publiek uitlokt, getuigt meer van verbazing en bewondering dan van de wil om alles nader te begrijpen. Niet het pact met de duivel als maat aller oordeel, maar ‘tastbare’ bewijzen worden gezocht. Daines Barrington wilde de frappante talenten van het wonderkind Mozart empirisch en analytisch doorgronden, de aanhangers van de schedelleer van de anatoom Gall lichtten Haydns schedel in een poging om diens ‘Tonsinn’ anatomisch te bewijzen. Ook Beethovens schedel werd aan onderzoek onderworpen.De virtuoos is – meer dan bijvoorbeeld de dirigent – een cultuurheld in het muziekleven, Maar wat is een virtuoos? De grote Van Dale geeft de volgende omschrijving: Virtuoos ( In 2003 debuteerde ze in Berlijn, het jaar daarop in St. Petersburg, Tokio, Washington en New York. Ze trad met de volgende orkesten op: Orchestreer de loper d’Avignon, Orchestre national d’Ile-de-France, Orchestre national d’Auvergne, Orchester Schleswig-Holstein, Orchestre national de Belgique, Orchestre national de Lyon, Rheinische Philharmonie, Orkest van het Kazanawa ensemble en Staatskapel Weimar. Tot de daar gespeelde werken behoren Haydns Concert in D en Beethovens tweede Pianoconcert.Lise de la Salle speelde onder leiding van Lawrence Foster, Jun Märkl, Moshe Atzmon, Arie van Beck, Andreas Stöhr, Patrick Davin, Frank Strobel en Hannu Lintu.In 2005 maakt ze een tournee door Japan, de V.S. en Duitsland. In de cd boekjes leze men verder de loftuiting van Manuel Brug uit en de sympathieke inschatting van haar huidige lerares Geneviève Joy-Dutilleux, zelf een begaafd pianiste die onder andere meewerkte aan opnamen met kamermuziek van haar man, Henri Dutilleux (Erato 0630-14068 en Teldec 8573-88047-2). Ze wekt de indruk dat we van De la Salle ook cd’s met pianowerken van Fauré en Dutilleux’ Le jeu des contraires mogen verwachten.De bekende, weinig zeggende prietpraat uit de biootjes die concertprogramma’s en cd boekjes sieren. Maar niettemin. De beoordeling Tot zover de theorie, nu de praktijk en dus ter zake wat De la Salles’ beide tot nu toe verschenen opnamen betreft:Bach, Bachbewerkingen door Liszt en Busoni, Liszt, Rachmaninov en Ravel mogen op het eerste gezicht merkwaardige metgezellen zijn maar voor een pianiste die een staalkaart van haar kunnen wil geven, vormen ze een uitstekend uitgangspunt en zijn veelzijdigheid te tonen. Met de geleidelijk tengevolge van internationalisatie en kruisbestuiving uit het muziekleven verdwijnende dominantie van met name de Weense, Franse en Russische pianoschool, is het opvallend dat bij De la Salle blijkt hoe levend die Franse traditie van lucidité nog is. Haar briljante, uitgesproken Gallische articulatie past bijvoorbeeld voortreffelijk in haar weergave van de stukken van Rachmaninov. Ze begint met een vertolking van het stormachtige op. 39/1 dat maar al te makkelijk kan ontaarden in een onsamenhangende maalstroom, maar dat hier als geëtst zo scherp en stijlvol gemoduleerd klinkt. Het spel in het van ‘Dies irae’ sfeer en zeemeeuwroepen vervulde op. 39/2 is intens muzikaal en bevat een paar fraai gesluierde slotmaten.Ook in de stukken op. 33 treft de heldere voordracht en de brille, zowel in de stortvloed aan noten uit nr. 6 als in de geweldige eb- en vloedwerking van nr. 2. Hier werpt ze zich met jeugdig vuur dankbaar op de veloce zwierigheid aan het eind. Later in haar carrière kan ze hopelijk nog beter onderscheid maken tussen melodie en begeleiding. Horowitz kan daar als voorbeeld gelden (RCA 82876-50754-2 en Sony 53457).De enorme spreiding die nr. 9 vergt, muziek waarin men als het ware Rachmaninovs eigen grote handen ziet wapperen bij het als een achtarmige octopus zonder zuignappen bespelen, heeft haar niet afgeschrikt. Hooguit maakt ze een wat gehaaste indruk en komt daardoor het karakter van de muziek niet voor de volle honderd procent uit.Haar Sonatine van Ravel mousseert vol echte joie de vivre en ook al brengt ze niet steeds de melodielijn van het ‘Modéré’ tot volle wasdom, ze schittert in het Menuet dat Ravel zelf het equivalent van een hoffelijke révérence beschouwde. Haar motten (in ‘Nocturelles’ uit Miroirs) fladderen eerder in zonlicht dan in de schemering en zijn niet echt pianissimo aan het begin, maar het resultaat overtuigt niettemin.Voortreffelijk dan weer ‘Oiseaux tristes’, waarin alweer volgens de componist ‘vogels zijn uitgebeeld die verloren zijn geraakt in de sombere apathie van het tropische regenwoud’. Het trage dobberen in de zonovergoten Middellandse zee van ‘Une barque sur l’océan’ wordt fraai gesuggereerd, maar nog mooier zijn de felle ritmen in ‘Alborada del gracioso’. Echt langzaam in overeenstemming met de aanduiding très lent is ‘La vallée des cloches’ dat voortborduurt op het ‘Angelus’ uit Liszts Années de pèlerinage, band 3, hoe mooi ook niet, maar ook dat vergt waarschijnlijk meer rijpheid en ervaring, zoals Robert Casadesus (Sony 63316), Pascal Rogé (Decca 440.836-2) en Jean-Yves Thibaudet (Decca 433.515-2) onder andere demonstreerden.Haar tweede cd bevestigt en onderstreept nog eens nadrukkelijk haar blijkbaar aangeboren grote talent en muzikaliteit. Ze lijkt zich in alle pianowerken met veel stijlbesef als een vis in het water of als een vogel in de lucht te bewegen. Fris, vitaal, gracieus klinkt het ene na het andere werk, steeds overeenkomstig het gevraagde karakter.In Bachs Chromatische fantasie en fuga combineert ze een naadloze beheersing en vloeiendheid met een openhartige speelvreugde in zowel de exuberante als de introverte gedeelten. In de Busonibewerkingen getuigt haar spel van een rustige kracht en een grote beslistheid: de muziek klinkt niet alleen heel gedegen, maar ook sereen. In de Liszt bewerking van de Prelude en fuga valt de fraaie helderheid der stemmen weer op; dit werk vormt een mooie overgang naar Liszt zelf. Hier toont De la Salle zich het tegendeel van grillig of het product van een overijverige of overambitieuze Svengaliachtige docent. Ze koos de eerdere, transparantere versie van La lugubre gondola die voor haar blijkbaar het summum van grauwheid en melancholische wanhoop betekent. Vooral in de slotbladzijden waar Liszts onheilspellende melodie doorgaat boven sidderende tremolandi voordat deze in vergetelheid raakt.De eerste Mefistowals tot besluit verwijdert zich met grote vaart van Bachs ‘rationele, vertrouwensvolle geloof’ naar een ‘demonische wervelwind van scherp contrasterende gedeelten: wellustig, heidens en tumultueus’ (in de woorden van Manuel Brug). En inderdaad: de pianiste toont veel gevoel voor Liszts diablerie. Het recitatief vòòr het explosieve coda waarin de nachtegalen uit volle borst heten te zingen, wordt met veel oprechte vervoering gespeeld.Al het meer dan redelijk, maar niet optimaal opgenomene illustreert de grote gaven van een reeds superieure pianiste die haar eerste opname op 14-jarige leeftijd maakte en haar tweede op 16-jarige en die al over een groot potentieel beschikt. Een pianiste uit honderden om in de gaten te houden. Discografie Rachmaninov: Etudes tableaux op. 33 nr. 2 in C, 6 in es, 9 in cis en op. 39 nr. 1 in c en 2 in a; Ravel: Miroirs; Sonatine. Lise de la Salle. Naïve V 4936 (57’12”). 2002 Bach: Chromatische fantasie en fuga BWV 903; Toccata BWV 912; Bach/Busoni: Koraalvoorspelen Nun komm, der Heiden Heiland; Ich ruf zu Dir; Bach/Liszt: Preludium en fuga in a BWV 543; Liszt: Sonetto 104 del Petrarca; St. Franciscus de Paule, wandelend op het water; La lugubre gondola (1e versie); Mefistowals nr. 1. Lise de la Salle. Naïve V 5006 (75’32”). 2004 Video Les pianos de demain. Bach: Koraalvoorspel ‘Ich ruf zu Dir’; Chopin: Etude op. 25/6. Naïve DR 2118 (dvd). 2004 |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
