| BARTÓK: VIOOLCONCERTEN NR. 1 EN 2, ALTVIOOLCONCERT |
|
BARTÓK: DE 2 VIOOLCONCERTEN, ALTVIOOLCONCERT
Temidden van de belangrijkste concerten voor viool uit de twintigste eeuw nemen beide vioolconcerten van Bartók een belangrijke plaats in. Beide werken ontstonden op keerpunten in zijn compositorische leven. Die biografische betekenis en details vervullen het karakter van beide composities. Het altvioolconcert komt daar als een niet zelf voltooide epiloog achteraan.
Achtergronden Bartók voltooide zijn tweedelige eerste vioolconcert in 1908 na zijn terugkeer van een eerste verzameltocht naar volksmuziek uit Transsylvanië. Het nog volkomen in romantisch idioom gedrenkte werk was bestemd voor de violiste Stefie Geyer (1888-1956) die hij in 1907 dus toen ze 19 was ontmoette en op wie hij als 26-jarige prompt verliefd werd. Helaas beantwoordde zij die in het eerste deel zo ontroerend geuite liefde niet en liet ze de componist in de steek kort nadat deze het werk had voltooid. Waarschijnlijk waren de tegengestelde inzichten op religieus gebied - Bartók was overtuigd atheïist, Geyer streng gelovig - oorzaak van de breuk. Reden genoeg voor de componist om het werk onuitgegeven op te bergen. Gedeelten van het materiaal met Leitmotive en al werden wel gebruikt in het eerste van de Twee portretten en de 14 Bagatellen. Het bleef onuitgevoerd tot twee jaar na het overlijden van de violiste en vijftig jaar nadat het was ontstaan. Dertig jaar na de moeilijke bevalling van dat werk vroeg de Hongaarse violist Zoltán Szekely (die tevens primarius van het Hongaars strijkkwartet was en door zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw hechte banden met ons land had) of hij voor hem een nieuw vioolconcert wilde schrijven. Hij had de première verzorgd van de Tweede Rapsodie en in de jaren twintig had hij al een transcriptie voor viool en piano gemaakt van de Roemeense volksdansen. De componist besloot daarop slechts een reeks variaties te maken, maar Szekely eiste waar voor zijn geld, waarop de componist hem een driedelig werk aanbood dat in wezen nog steeds niet meer is dan een uitgebreide variatiereeks, al kost het enige moeite om dat te ontwaren vanaf het begin pizzicato tot de laatste maten van de finale. Dit was het eerste van zijn ‘romantische’ werken uit de laatste scheppingsperiode. Bartók heeft Szekely nooit het werk horen uitvoeren door zijn emigratie naar de V.S., hoewel hij wel met hem heeft samengewerkt voor de wereldpremière in Parijs. Pas in 1944 hoorde hij het werk voor het eerst. Er bestaat niet de minste twijfel dat het tweede vioolconcert behoort tot het handjevol grote composities op dit gebied naast de gelijksoortige werken van Beethoven, Mendelssohn en Brahms. Al is het een uitgesproken virtuozenstuk vol interpretatieve moeilijkheden, de muzikale organisatie van het werk is dusdanig overtuigend dat de essentiële zwakte van het soloconcert – de ongelijkheid in kwantiteit tussen het solo- en het orkestaandeel – eigenlijk nooit opvalt. Het gaat om een volbloedig, viriel werd, oorspronkelijk van vorm en inhoud, geconcentreerd, economisch en intens. Het werk heeft zijn dissonante momenten maar overwegend is het net zo melodisch als het eerste concert en pas bij herhaald beluisteren wordt de vloed aan ideeën die over de luisteraar wordt uitgestort geleidelijk inzichtelijk. Het altvioolconcert was een opdrachtwerk van William Primrose waaraan de componist met zijn laatste krachten in september 1945 bezig was. Hij correspondeerde hierover met de altist en meldde bijvoorbeeld dat het werk bijna klaar was. Af kwam het niet en op basis van de kladversie moesten alleen nog wat details en de orkestratie worden uitgewerkt. Daar kwam de componist niet meer aan toe. Zijn vertrouweling Tibor Serly, zelf altist in het NBC symfonie orkest, die ook de laatste maten van het derde pianoconcert invulde, nam die taak op zich. Hij leverde in 1949 het resultaat af. Op basis daarvan hield Primrose het werk in december van dat haar in Minneapolis ten doop. Antál Dorati leidde het orkest bij die gelegenheid; later verzorgde Bartóks zoon Péter een andere versie in 1995. Het verschil tussen beide versies is meteen in de eerste maten van het werk te horen: Serly gaf die pizzicato aan celli en bassen, Bartók jr. vertrouwde ze aan de pauken toe. Wie meer over het werk en de verschillende completeringen wil weten, kan terecht bij Donald Maurice en zijn Bartóks viola concerto: the remarkable story of his swansong (Oxford University Press). Het klankgemiddelde is in de latere uitgave dichter in de buurt gebracht van dat uit het Concert voor orkest. In het algemeen is de orkestratie van dit werk wat transparanter, maar dat was haast een noodzaak gezien het klankkarakter van het donkerder klinkende solo instrument; op deze manier is meteen een goede balans gewaarborgd. En dan is er nog het celloconcert op basis van het altvioolconcert. Janos Starker ervoer in 1951 van die alternatieve vorm, maar pas in 1980, twee jaar na het overlijden van Serly, ondernam hij actie en ontdekte hij dat het stuk in die vorm al in de jaren vijftig was gepubliceerd. Het bleek dat de celloversie voor 99% identiek is met de altviool dito; zeker aan de orkestratie is niets gewijzigd. Hier en daar werd de solopartij wat in toonhoogte aangepast om hem beter uitvoerbaar te maken. Starker gaf de eerste uitvoering in 1981 tijdens het Canadese Banff festival.
De opnamen Vooral bij de opnamen van vòòr 1950 die we als historisch kunnen beschouwen zijn bijzondere exemplaren te vinden. Het belangrijkst is natuurlijk de unieke uitgave van opdrachtgever/initiator Szekely zelf met het Concertgebouworkest uit 1939 die gelukkig door Dante op cd is overgezet. Of Hungaroton daar ook een cd versie van heeft? Omdat niet alle hieronder genoemde opnamen beschikbaar waren, is helaas weer sprake van leemten in de beschouwing, hoewel die voor de uiteindelijke keuze niet van doorslaggevende betekenis lijken te zijn. Een andere complicerende factor is dat nogal wat – meest weer oudere – versies alleen in albums van 10-14 cd’s te vinden zijn en dat vrijwel niemand die alleen ter wille van een concert van Bartók zal willen aanschaffen. Lenen in een biblio/discotheek kan hier soulaas bieden. Op die manier is ook te komen aan de opname van opdrachtgever Primrose wat het altvioolconcert betreft. Bezien we eerst de belangrijkste logisch gekoppelde opnamen van beide vioolconcerten samen. Lang geleden, toen Bartók nog werd beschouwd als een ontoegankelijke modernist die nauwelijks in staat was tot het schrijven van een behoorlijke melodie, was de jonge Yehudi Menuhin een groot voorvechter van zijn muziek. Logisch dat hij op basis daarvan en op andere gevoelsmatige gronden aandacht verdient. Hij gebruikte zijn creatieve verbeelding en speelde met een kenmerkende noblesse. Maar met zijn beruchte, vaak wat wankele intonatie kan hij het niet meer opnemen tegen representanten van de jongere generatie. Als tweede was het Isaac Stern die zich met gezag en inzicht over het tweetal werken ontfermde en er heel indringende vertolkingen van gaf die echter in opnametechnisch opzicht niet geheel meer aan de huidige standaard voldoen. Waarschijnlijk is die opname ook niet meer verkrijgbaar, in de Sony catalogus komt hij in elk geval niet meer voor. Midori’s opname van beide concerten was de eerste van dit Japans-Amerikaanse whizzkid die aantoonde dat ze heel wat meer in huis had dan een geweldige techniek. Haar interpretatie is grondig overdacht, neigt enigszins tot understatement, maar overtuigt volkomen. Midori’s oudere Koreaanse collega, Kyung Wha Chung speelt gepassioneerder, met veel emotionele energie en temperamentvoller, maar ook veel extraverter en komt ook dankzij de even felle Solti tot uitgesproken markante resultaten die blijk geven van de nodige pyrotechniek. De Hongaarse violist György Pauk beschikt dan misschien niet over de virtuositeit van sommige collega’s, hij compenseert dat gebrek royaal met zijn gevoelige, inlevende lyrische spel in het eerste concert en zijn idiomatische behandeling van het zigeunermateriaal in het tweede. Logisch dat het tweede vioolconcert veel vaker is opgenomen dan het eerste. Dat leidt tot allerlei combinaties. Viktoria Mullova koos voor het Stravinskyconcert. Energiek en vol zelfvertrouwen pakt ze beide werken aan. Ze speelt hoorbaar geëngageerd en intens. Haar rijpe toon is meteen bij de inzet hoorbaar. Veel zorg besteedt ze aan het filigraan van het passagewerk waar dirigent Salonen voor grote helderheid zorgt. Het eerste deel duurt wel zo’n drie minuten langer dan de componist specificeerde, maar so what. Het tweede deel gaat ietsje sneller dan de metronoomaanduiding vergt, maar dat pakt positief uit. De finale heeft ook weer een scherpe focus, maar de verrassing komt met de toepassing (vervanging?) van het oorspronkelijke einde van het werk waar de solist zich terugtrekt en het orkest alleen het coda besluit. Anne Sophie Mutter huldige een nogal vrije opvatting, gaat haast speels te werk en komt tot veel afwisseling en contrast. Haar wisselend vibrato draagt bij aan kleurige effecten en het lukt Ozawa goed de lichtelijk grillige violiste goed bij te staan en te volgen. Cristian Tetzlaff is gematigder en volgt hier uitgesproken serieus zijn partij betrouwbaar en gedegen als altijd getrouw, maar wekt toch naar verhouding wat afstandelijk. Meer elementen van verrassing komen van Follesø die op bijzondere wijze de belangrijkste aspecten van dit concert belicht en tot heel overtuigende resultaten komt. Fluwelig van toon is de inbreng van Gil Shaham, die ook voor Stravinsky als metgezel koos. Het orkest ageert zorgvuldig en alert, de balans is uitstekend en ook waar de muzikale spanning even vermindert, blijft de spanning gehandhaafd. De haast speelse scherts tussen solist en orkest pakt fraai uit. Onderweg komen dramatische flitsen en magische details aan het licht (luister na 5’41” in het tweede deel) en ook hier fladdert het passagewerk als een vlinder in de schemering. Wat hooguit ontbreekt is temperament. Meteen de inzet klinkt al wat berekenend. Soms is de attaque fel, soms ook krachteloos. Het eindresultaat klinkt zo wat koeltjes Jammer dat zoveel opnamen mankeren. Die van Oistrakh, Gitlis, Varga, Gertler en Rostal, ooit grote pleitbezorgers van Bartóks werken, hebben intussen alleen nog historische waarde; van de overigen – Kaplan, Hetzel, Breuninger, Garay, Zazovsky en Perlman – is voorstelbaar dat vooral laatstgenoemde interessante dingen te vertellen had. Natuurlijk is het interessant Primrose, de opdrachtgever van het altvioolconcert, zelf nog eens te kunnen horen, maar de interesse zal toch vooral uitgaan naar nieuwere opnamen. Tabea Zimmermann was nog jong toen ze dit werk liet vastleggen, maar ze leverde een respectabele prestatie die nog steeds geldigheid bezit. Later werd ze echter overtroffen door Kim Kaskashian die waar nodig de muziek laat dansen en die op hoogst muzikanteske wijze het hele werk prachtig fraseert en articuleert. Eötvös huldigt parallelle inzichten en plaatst bepaalde fraaie accenten zoals aan het eind van het eerste deel met iets van agitatie waardoor het adagio religioso nog mooier uitkomt. Hij gebruikte de versie Serly maar met wat eigen correcties. Vladimir Bukač, de altist uit het Talich kwartet, daarentegen koos de orkestratie van Bartók jr. en speelt het werk in die gedaante met grote, vooral emotionele inzet, daarbij in dezelfde geest geruggensteund door Oramo en het Engelse orkest. Interessant in musicologisch opzicht is vooral de opname van de Chinese altist Xiao omdat hij de orkestraties van Serly en Bartók jr. samenbrengt in goede, gedegen, maar niet echt bevlogen vertolkingen. Jammer dat hier zoveel opnamen op het appel ontbraken, maar het is niet anders…. Bij de celloversies van het altvioolconcert speelt Yo-Yo Ma dat werk op de oorspronkelijke toonhoogte, terwijl Janos Starker de aangepaste versie voor zijn rekening neemt. Beide overtuigen in hoge mate. Conclusie Voor de combinatie van de twee vioolconcerten komen vooral Midori en Pauk in aanmerking, voor nr. 1 Ostertag en Chung (in deze voorkeursvolgorde) voor nr. 2 zijn het in de eerste plaats de initiator Szekely en vervolgens in preferentievolgorde de hooguit wat koele Mullova, Follesø, Shaham en Chung op enige afstand gevolgd door Mutter en Tetzlaff. Bij het altvioolconcert gaat het tussen de minutieuze, virtuoze maar wat Kaskashian en de vrijer interpreterende emotioneler Bukač. De Naxos uitgave van Xiao is vooral interessant omdat deze als enige de beide versies (Serly en Bartók jr.) bevat in gedegen interpretaties. De cellovorm is interessant en daarvoor kan men het beste terecht bij Ma (zo nog verkrijgbaar). Discografie De 2 vioolconcerten …….. Yehudi Menuhin met resp. het Philharmonia orkest o.l.v. Antál Dorati en het BBC symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. EMI 585.497-2 (2 cd’s). 1958/61. Isaac Stern met resp. het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy en het New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony SMK 64502. 1976/83. Kyung Wha Chung met resp. het Chicago symfonie orkest en het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 425.015-2. 1989/90. Midori met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Sony SK 45941. 1997. György Pauk met Pools nationaal omroeporkest o.l.v. Antoni Wit. Naxos 8.554321. ……. Thomas Zehetmair met het Boedapest festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Berlin Classics BC 1134-2. ……. Gotkovsky met het Nationaal filharmonisch orkest Londen o.l.v. Charles Gerhardt. RCA RL 37444 (lp). Vioolconcert nr. 1 Sz 36, 1907/8 1960. David Oistrakh met het Russisch Staatsorkest o.l.v. Gennadi Rozdestvensky. Brillant Classics 92609 (10 cd’s). 1983. Kyung Wha Chung met het Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 411.804-2. 2003. Christian Ostertag met het Symfonie orkest van de SWR Baden-Baden o.l.v. Michael Gielen. Hänsler 93.127. …… . Yehudi Menuhin met het Concertgebouworkest o.l.v. Pierre Boulez. RCO Live RCO 05001b (14 cd’s). Vioolconcert nr. 2 Sz. 112, 1937/8 1938. Zoltán Szekely met het Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Hungaroton 11.573 (lp), Dante Lys 242. 1953. Yehudi Menuhin met het Philharmonia orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. EMI 574.799-2. 1954. Ivry Gitlis met het Weens Pro musica orkest o.l.v. Jascha Horenstein. Vox CDX 25505 (2 cd’s). 1955. Tibor Varga met het RIAS symfonie orkest o.l.v. Ferenc Fricsay. Urania URN 22184. 1962. Max Rostal met het BBC Schots orkest o.l.v. Norman del Mar. Symposium SYMCD 1142/3. 1965. André Gertler met het Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Karel Ancerl. Supraphon 111956-2. 1969. Henryk Szeryng met het Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 438.812-2 (2 cd’s). 1976. Kyung Wha Chung met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 467.483-2. 1990. Anne Sophie Mutter met het Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. DG 431.626-2, 477.5376. 1992/3. Vilmos Szabadi met het Hongaars Staatsorkest o.l.v. András Ligeti. Hungaroton HCD 31543. 1996. Mark Kaplan met het Barcelona symfonie orkest o.l.v. Lawrence Foster. Koch 37387. 1997. Viktoria Mullova met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Philips 456.542-2. 1998. Gil Shaham met het Chicago symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. DG 459.639-2. 2004. Annar Follesø met het Birmingham symfonie orkest o.l.v. Sakari Oramo. Naïve V 4991. ……. . Gerhard Hetzel met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. Orfeo C 589021B. ……. Christian Tetzlaff met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Michael Gielen. Virgin 562.053-2 (2 cd’s). ……. Albrecht Breuninger met het Filharmonisch orkest van Vlaanderen o.l.v. Marc Soustrot. Cyp 9603 (3 cd’s). ……. Garay met het Omroeporkest Leipzig o.l.v. Herbert Kegel. Berlin Classics BC 3145-2. …… Itzak Perlman met het Londens symfonie orkest o.l.v. André Previn. EMI 566.060-2 ……. Berl Zazovsky met het Belgisch nationaal orkest o.l.v. Georges Octors. DG 2535012 (lp). Altvioolconcert Sz. 120, 1945, versie Tibor Serly 1949 ……. William Primrose met het Concertgebouworkest o.l.v. Otto Klemperer. QDisc MCCL 97018 (14 cd’s). …….. . Yehudi Menuhin met het Philharmonia orkest o.l.v. Antál Dorati. EMI 585.487-2 (2 cd’s). 1962. Jaroslav Karlovsky met het Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Karel Ancerl. Supraphon 11.1956-2, 3686-2. 1969. Géza Németh met het Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. András Kórodi. Hungaroton HCD 31050. 1989. Tabea Zimmermann met het Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. David Shallon. EMI 754.101-2. 1990. Marcus Thompson met het Sloveens omroeporkest o.l.v. Paul Freeman. Centaur CRCZ 2150. 1997. Hong-Mei Xiao met het Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. János Kovacs. Naxos 8.554183. 1999. Kim Kaskashian met het Radio kamerorkest o.l.v. Peter Eötvös. ECM 465.420-2. 2006. Vladimir Bukač met het Tsjechisch omroeporkest o.l.v. Vladimir Válek. Calliope CAL 9364. ……… Gerhard Hetzel met het Hongaars staatsorkest o.l.v. István Fischer. Nimbus NI 5333. …….. Davia Binder met het Omroeporkest Leipzig o.l.v. Herbert Kegel. Berlin Classics BC 1432-2. ……. . Benyamini met het Orchestre de Paris o.l.v. Daniel Barenboim. DG 2531.249 (lp).
Altvioolconcert Sz. 120, 1945, versie Peter Bartók, Paul Neubauer 1995 1997. Hong-Mei Xiao met het Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. János Kovacs. Naxos 8.554183.
Celloconcert naar altvioolconcert 1990. Janos Starker met het St. Louis symfonie orkest o.l.v. Leonard Slatkin. RCA RD 60717. 1993. Yo-Yo Ma met het Baltimore symfonie orkest o.l.v. David Zinman. Sony SK57961. |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
