| BARTÓK: STRIJKKWARTETTEN NR.1-6 |
BARTÓK: DE 6 STRIJKKWARTETTEN
Bartók schijnt weinig spraakzaam te zijn geweest en waarschijnlijk mede daarom beschouwde hij van nature de niet verbale communicatie door muziek als de beste mogelijkheid om zich te uiten.
AchtergrondenIn Haydns tijd toen het strijkkwartet als genre ontstond, waren zes composities nodig om een opus te vormen. Deze ongeschreven regel uit de hoogtijdagen van de Europese muziek toont aan dat er een overdaad aan muziek was met werken die per half of heel dozijn werden geleverd. Bijna massaproductie, maar dan wel op hoog niveau. Dat veranderde in Beethovens tijd toen kwartetten en sonates in groepen van zes of drie zeldzamer werden. De muziek kreeg ook een individueler karakter. Grote schrijvers hebben hun belangrijkste gedachten vaak geuit in dagboekvorm. Vergelijkenderwijs geldt het strijkkwartet vaak als belangrijkste uitingsbron van een componist. Gemeten aan de gedurfdheden van zijn strijkkwartetten hebben veel andere werken van Bartók een minder vooruitstrevend karakter. Beethovens 16 kwartetten nemen een centrale plaats in binnen zijn oeuvre en zijn tijd. Datzelfde geldt voor de 6 strijkkwartetten van Bartók. Dat de 6 gedurende een tijdsbestek van drie decennia ontstane strijkkwartetten van Bartók een van de belangrijkste bijdragen aan de Westerse muziek vormen, staat al tijden vast. Zijn kwartetten bezitten in die zin het karakter van een dagboek dat ze heel duidelijk de verschillende scheppingsperioden in beeld brengen. Wanneer we Bartóks artistieke biografie in drieën splitsen, dan wordt elk daarvan gekenmerkt door twee kwartetten. De beide eerste kwartetten tonen de vroege, in gelijke mate door laatromantische als door folkloristische elementen gekleurde componist. De beide middelste voeren tot aan de grenzen van de tot het extreme opgerekte tonaliteit en vormen de dichtste benadering met Schönberg, terwijl beide laatste getuigen van een synthese van Bartóks vroegere streven hetgeen met ritmische en harmonische vereenvoudiging en loutering gepaard gaat. Het fascinerende van Bartóks kwartetcyclus bestaat daarom niet zozeer uit de geldige formulering van de afzonderlijke werken als op zichzelf staande eenheid als wel uit de onderlinge samenhang daarvan. Het componeren is hier duidelijk een voortgaand proces van een naar telkens nieuwe oplossingen strevend experimenteren. Maar ook als persoonlijke reactie op de eisen van de tijd en tevens ook als reactie op de principes uit het verleden. Vrijwel de hele compositorische problematiek uit de eerste helft van de 20e eeuw wordt hier ten tonele gevoerd. De rijkdom daarvan wordt in perspectief geplaatst, de actualiteit daarvan onderstreept. Een nadere toelichting op het individuele van elk der zes kwartetten kan worden ontleend aan de bij de diverse opnamen gevoegde boekjes. Waarom immers hier alles nog eens dunnetjes overdoen?
De opnamenOm te beginnen een persoonlijke noot. In 1956 leerde ik deze werken voor het eerst grondig kennen dankzij de Columbia (mono) opnamen van het Végh kwartet. De bewuste platen werden werkelijk grijsgedraaid. Later volgden andere ensembles, in successie het Hongaars kwartet, waarvan de primarius Zoltan Szekely (met een Nederlandse getrouwd en degene die in 1936 in Amsterdam met Mengelberg de wereldpremière gaf van het tweede vioolconcert) tot de intimi van de componist behoorde. Daarna met name het Juilliard- en Tokio kwartet, gevolgd door de Emersons en als voorlopig eindpunt de Hagens. Zij waren het die de meeste indruk maakten. Maar het is nuttig om nog eens het hele veld te overzien. En dan is het plezierig meteen te kunnen vaststellen dat er eigenlijk haast geen inferieure opnamen van deze werken in omloop zijn. Maar bij zorgvuldige nadere selectie treedt natuurlijk onherroepelijk het principe van baas boven baas in werking. Bij een eerste selectie vallen het al te bescheiden opererende Nieuw Boedapest kwartet, het onstuimige, slordige Bartók kwartet, het erg spontane maar wat oppervlakkig aandoende Auryn kwartet en het anonieme, weinig opmerkelijke Ramor kwartet af. Bij een volgende selectie vallen ook het Chilingirian kwartet, de remakes door het Juilliard kwartet en het Tokio kwartet af. Opvallend eigenlijk dat deze gerenommeerde ensembles zich niet weten te verbeteren, maar juist terugvallen. Misschien een kwestie van ingeslopen routine. Imposant en doorkneed in de materie als het Hongaars kwartet klonk, bezien in het licht van hetgeen de opvolgers deden, maakt hun aanpak thans een wat tamme, voorzichtige en te behouden indruk. Het Végh kwartet speelt ook in zijn tweede lezing – met analoge herkomst, maar mede daardoor mogelijk fijn warm van toon - klassieker, minder furieus en geladen dan de latere kwartetformaties. De benadering getuigt van langdurige ervaring en toont meer ruimte voor een brede, soms haast romantisch te noemen expressie. Zeker de beide laatste werken klinken prachtig gelouterd en bezonken. Niet vergeten mag worden dat primarius Sandor Végh tot Bartóks vriendenkring behoorde. Uit Tsjechië daarentegen komt het Novak kwartet dat zich ook heel expressief en kernachtig uit, maar wat minder gepolijst en homogeen klinkt dan de beste rivalen Zuiver kwartettechnisch gezien vormen de interpretaties van het Alban Berg kwartet een klasse apart, ook aan de opnametechniek mankeert eigenlijk niets, maar tenslotte spreekt het resultaat vanwege de indruk dat de gedemonstreerde virtuositeit doel op zichzelf was meer tot het verstand dan tot het gemoed. De Lindsay’s komen ook op de proppen met een respectabel resultaat waarin op het punt van uitdrukkingskracht en integriteit weinig is aan te merken, maar echt topklasse is het resultaat niet. Ook de leden van het Keller- en Eder kwartet zijn van Hongaarse komaf en zorgen voor rijk geschakeerde, uiterst idiomatische reeksen. Hun beider uitvoeringen getuigen van het juiste idiomatische gevoel, zijn energiek en doorleefd, bezitten stuwkracht zonder enigerlei overdrijving en suggestie van overprojectie. Met zoveel vaart en zin voor lange lijnen vervagen terecht maatstrepen. Vooral de Teldec opname bezit demokwaliteit. Van het Tokio kwartet bestaan ook weer twee versies. De laatste beslaat 3 cd’s maar heeft als bonus wel de beide kwartetten van Janacek. Opnieuw munt de aanpak vooral uit door veel finesse en detaillering. Maar de eerdere vertolkingen klinken nog intenser, nieuwer en getuigen van meer spanning en autoriteit. Datzelfde geldt voor het Juilliard kwartet dat met zijn middelste opname uit 1963 nog steeds de hoogste ogen gooit. Het is in de loop van de tijd juist altijd dit ensemble geweest dat het meest direct met de kwartetten van Bartók is geassocieerd. Hun eerste opname dateert al uit 1949 en is in Europa nooit erg breed door Philips als lp licentiepartner van CBS gepropageerd. Het duurde tot 1963 voor de volgende, achteraf bezien succesvolste opname ontstond. In de laatste, uit 1981 daterende opname maakt het spel een relatief wat al te bezonken, afstandelijke indruk. Het ook alweer Hongaarse Takács kwartet zorgde – net als Juilliard(met zelfs 3x), Tokio- en Végh - voor twee met het nodige tijdverschil gemaakte opnamen, de eerste uit hun prille dagen met een nog compleet Hongaarse bezetting voor Hungaroton, de tweede met een Engelse primarius nadat de eerste tragisch was overleden voor Decca. Deze latere versie is in alle opzichten de betere. Het idioom zit in de genen van dit ensemble dat met veel stijlbesef, klankschoonheid en virtuositeit speelt. Energieke, heftige en rijk genuanceerde vertolkingen zijn het resultaat. Hier is het duidelijk de tweede opname die in alle opzichten het meeste overtuigt. Het Emerson weet goed te differentiëren tussen de zes werken die immers elk hun eigen stijl bezitten. Het ensemble is heel hecht en overtuigt ook uitstekend in de verwerking van de gespannen harmonische lijnen en de harmonie van de langzame delen, zowel als in de aanstekelijke ritmische vaart van de snelle. Prachtig is de realisatie van Bartóks herhaaldelijke wisselingen van tempo, dynamiek en klankweefsel. Er wordt heel virtuoos gespeeld – probeer bijvoorbeeld de wilde, opwindende Allegro molto finale van het 4e kwartet, maar ook subtiel. In termen van virtuositeit, precisie en subtiliteit waren deze verklankingen lang onaangevochten het beste. Hooguit komt af en toe de getoonde felheid wat geforceerd over. Wat zou dit ensemble er bij een tweede poging van maken? Het Hagen kwartet toont veel lef in uitdagende, kernachtige en heel spontaan overtuigende uitvoeringen. Het speelt met een aangeboren, vanzelfsprekende virtuositeit en veel raffinement zonder terughoudendheid op het punt van grote, soms haast oververhitte expressie. Het neemt veel risico, maar ontspoort geen moment en er zit iets van meerwaarde in deze gedurfde benadering
ConclusieWat blijft tenslotte van al dit moois over op de shortlist na heel streng eerst ook nog het Hongaars-,en het Keller kwartet te hebben geëlimineerd? Het ervaren, in de bewuste materie zeer doorknede Juilliard kwartet (Sony 1963), het Végh kwartet dat dit repertoire als geen ander in zijn bloed heeft (Valois 1972), het verfijnde, energieke Tokio kwartet (DG 1980), het technisch en muzikaal uitstekend toegeruste Takács kwartet (Decca 1996), het enthousiaste, zeer gemotiveerde Emerson kwartet (DG 1988) en het de grenzen van het mogelijke zorgvuldig aftastende enthousiaste Hagen kwartet (DG 1998). Lastige keus. Al deze verklankingen overtuigen in hoge mate, maar de het beste tegen herhaling bestand zijnde lezingen zijn die van het Hagen-, Emerson- en Juilliard kwartet.
DiscografieAuryn kwartet. Accord 203012 (3 cd’s). 1994/5 Bartók kwartet. Canyon Classics EC 3698-2 (3 cd’s). 1993 Alban Berg kwartet. EMI 747.720-8 (3 cd’s). 1983/5 Chilingirian kwartet. Chandos CHAN 7013/4 (2 cd’s). 1987/8 Eder kwartet. Teldec 0630-12334-2 (2 cd’s). 1980 Emerson kwartet. DG 423.657-2 (3 cd’s). 1988 Fine Arts kwartet. Saga SAGA 5203-5 (3 cd’s). 1962 Hagen kwartet. DG 463.576-2 (2 cd’s). 1995/8 Hongaars kwartet. DG 457.740-2 (2 cd’s). 1961 Juilliard kwartet. Am. Columbia ML 4278/80 (3 lp’s). 1949 Juilliard kwartet. CBS 61118/20 (3 cd’s). 1963 Juilliard kwartet. Sony 63234 (2 cd’s). 1981 Keller kwartet. Erato 3984-25594-2 (3 cd’s). 1993/4 Lindsay kwartet. ASV CDDCS 301 (3 cd’s). 1980 Nieuw Boedapest kwartet. Hyperion CDD 22003 (2 cd’s). 1992 Novak kwartet. Philips 442.284-2 (3 cd’s). 1965 Ramor kwartet. Vox VBX 19 (3 lp’s), Tuxedo TUXCD 1087/9 (3 cd’s). 1960 Takács kwartet. Hungaroton HCD 12502/4 (3 cd’s). 1983 Takács kwartet. Decca 455.297-2 (2 cd’s). 1996 Tátrai kwartet. Hungaroton HCD 31509/11 (3 cd’s). 1966 Tokio kwartet. DG 445.241-2 (3 cd’s). 1977/80 Tokio kwartet. RCA 09026-68286-2 (3 cd’s). 1993/4 Végh kwartet. Eng. Columbia CX 1245, 1267 en 1285 (3 lp’s). 1954 Végh kwartet. Valois V 4809 (3 cd’s). 1972 |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
