| DEBUSSY: STRIJKKWARTET |
| Vergelijkende Discografieen |
|
DEBUSSY: STRIJKKWARTET
Soms zou men menen dat componisten vaak koorts hebben. Als ze dan desondanks werken, wordt het resultaat daardoor beinvloed. Toen Debussy en Ravel zich kort, maar onafhankelijk van elkaar en dus na elkaar met de Duitsachtige vorm van het strijkkwartet bezighielden, schijnen ze door koorts bevangen te zijn geweest. In elk geval klinkt de muziek daarnaar. Dat het er juist daardoor om gaat de struktrurele rijkdom bloot te leggen, is de opgave van het strijkkwartet dat zich aan deze muziek waagt.
Achtergronden
Aan het begin van de jaren 1880 werd Debussy geadopteerd door de mecenas van Tchaikovsky, Madame Nadia von Meck voor wie hij zijn Pianotrio en Nocturne en scherzo voor cello en piano schreef. Die beide vroege pogingen op het gebied van de kamermuziek waren niet erg succesvol, maar tegen de tijd dat hij zijn enige Strijkkwartet componeerde in 1893 was hij volledig meester over het medium. Het beginthema van het eerste deel zorgt voor het basismateriaal van alle vier de delen van een werk waarin ritme de voorrang krijgt boven de harmonische en melodische aspecten. Die kwaliteit is heel opmerkelijk in het scherzo waar de ontwrichtende combinatie van pizzicato en strijken het soort verwarring schept dat het voor de luisteraar nodig maakt om zich meer op de textuur dan op de lineaire vorm te concentreren.
De opnamen
Echt historisch zijn de opnamen van het Pro Arte-, Capet- en Parrenin kwartet. Het is nuttig daar terloops kennis van te nemen, maar niemand zal ze nog met prioriteit op de verlanglijst zetten. Als steeds is helaas ook veel mooi materiaal ingetrokken en niet of slechts moeilijk te verkrijgen. Beide Denon opnamen zijn in Europa waarschijnlijk vervlogen. Jammer voor het Nuovo quartetto en het Carmina kwartet Dat geldt het pijnlijkst voor de DG opnamen van het Emerson- en vooral Melos kwartet, maar ook het Amati, Keller-, Medici en Tokyo kwartet. Het Quartetto italiano zorgde voor twee lang als ‘klassiek’ en maatgevend geldende opname. De oudste, voor EMI heeft intussen zijn houdbaarheidsdatum wel overschreden, maar de nieuwere legt nog steeds veel gewicht in de schaal. Het ensemble verkeerde in zijn beste jaren en speelt hier heel spontaan en laat bovendien Debussy’s wendingen van richting en stemming fraai horen. Prachtig zijn ook de luchtige gratie en het gevoel van verwondering dat hoorbaar wordt. Hooguit mankeert het wat aan het laatste beetje finesse. Tsjechië, land der strijkkwartetten, is op zijn best vertegenwoordigd door het enthousiast en gretig spelende Vlach kwartet dat langzamerhand wel klankmatig te lijden heeft onder de oudere opnamekwaliteit. DG heeft altijd sterke troeven gehad wat Ravels kwartet betreft. Dat begon met een voor een Duitse ensemble onverwacht stijlvolle uitvoering door het met flair en virtuoos spelende Melos kwartet, vol tonale schoonheid, volmaakt qua ensemble en fluwelig van toon met een uitgesproken dichterlijke inslag. Het ensemble heeft een precies analyserende stijl. Of die opname nog verkrijgbaar is lijkt dubieus/. Jaren later volgde het Amerikaanse Emerson kwartet met een technisch prachtig verzorgde, maar expressief wat bloedarme lezing. Het op één na beste wat DG leverde, is te danken aan het toen met jeugdig elan spelende Hagen kwartet. De opvatting neigt naar het neoklassieke. Aan het heel doelgericht, virtuoos en geconcentreerd spelende Juilliard kwartet heb ik uit de lp tijd de beste herinneringen, de cd verdoeking heb ik echter niet gehoord. Dat het – hoe mooi het kwartetspel qua homogeniteit en techniek ook is – aan de vereiste Gallische sfeer kan ontbreken, toont het Borodin kwartet aan. Ook het Alban Berg- en Orford kwartet wisten zich hier niet optimaal te profileren. De Alban Bergs werden wel enigszins overdreven in EMI’s reeks Great Recordings of the Century heruitgebracht. Het bijzondere van het Cleveland kwartet is dat het viertal musici speelt op Stradivarius instrumenten die ooit in het bezit van Paganini waren. In hoeverre dat invloed heeft op de uitvoering blijft een onbeantwoorde vraag. Duidelijk is wel de bijzonder warme toon en de volle toon. De muziek komt vitaal en fris tot klinken wat een voordeel is bij deze avontuurlijke muziek. De thematische ideeën komen logisch uit elkaar voort. Een pre voor wie daarop is gesteld. In 1983 maakte het uit István Párkányi, Heinz Oberdorfer, Ferdinand Erblich en Stefan Metz bestaande Orlando kwartet een opmerkelijke en respectabele opname die met het Philips label ten onder ging. Sic transit gloria. De vier musici hadden naast hun kwartetwerk ter wille van hun bestaanszekerheid plaatsen in Nederlandse orkesten. Na opheffing van hun ensemble bleven vooral pedagogische initiatieven en natuurlijk de waardevolle Strijkkwartet academie van Stefan Metz plus het nuttige Orlando Festival. Párkányi stichtte daarna onder eigen naam een nieuw kwartet dat een onbekende eigen opname maakte. Het Roemeense Ad Libitum kwartet levert een vrij provocerende vertolking af door het accent te leggen op de polarisatie van de tonale en melodische inhoud. De toon is haast voortdurend te fluwelig Enigszins exotisch van herkomst, maar best de moeite waard is wat het Australisch kwartet laat horen: een oorstrelende, serieuze, energieke en warmbloedige verklanking Het Spaanse Cuarteto Casals won in 2000 in Londen een internationaal strijkkwartet concours en zet een mooie, heel expressief dichterlijke interpretatie neer, mild overpeinzend in het langzame deel, bijtend fel in het scherzo en sprankelend in de finale. De Spaanse tak van Harmonia Mundi zorgde voor een mooie registratie. Best de moeite waard dus. Gaan we naar Frankrijk voor het Quatuor Ebène dat soms ook in beeld voorbij komt bij Mezzo. Of het aan de Franse achtergrond, de volledige vertrouwdheid met het specifieke idioom ligt? Zeker is in ieder geval dat de uitkomst van hun spel op het allerhoogste niveau landt. Het zit hem in details die meesterlijk zijn uitgewerkt en geplaatst, om de nuancen, de plotselinge sfeerwisselingen, de logische, heel vloeiende verwerking van het materiaal. Het lijkt wel haast improviserend en verhoogt de spanning. Onstuimig gaat het Lindsay kwartet te werk. Bij voortduring doet dat ietwat overdreven aan. Het beste slaagden de hoekdelen, de centrale delen vallen daarentegen wat af. Een genoegen is het ook om naar het eveneens toen de opname werd gemaakt jonge Belcea kwartet te luisteren. Het maakt een welverdiende vliegende start met zijn frisse aanpak en speelde in Ravel hoge troeven uit. Opvallend zijn bijvoorbeeld de kruisritmen en subtiel uitgewerkte details, in het langzame deel de blijken van nostalgie. Iets meer expressieve vrijheid had men zich wel mogen gunnen. De kristalheldere opnamekwaliteit draagt veel aan het succes bij. Bij alle warmbloedigheid en precisie legt het Ysaye kwartet ook de nodige dramatiek in de realisatie. De geluidskwaliteit heeft vrijwel studiokwaliteit. Het pizzicato deel is tamelijk losjes, nogal romantisch opgevat. Of de Polen van het Szymanowski kwartet door hun afkomst een handicap hebben? Hun Ravel klinkt nogal terughoudend en sprankelt niet echt. Ook ontbreekt het teveel aan concentratie en drama. De droge akoestiek van de opnameruimte versterkt die negatieve kanten nog. In EMI’s Debuutreeks treffen we het Chinese Formosa kwartet aan. Kwaliteiten heeft het zeker, maar de benadering van Debussy klinkt nogal uiterlijk, oppervlakkig. Waaraan het ligt is niet zo makkelijk vast te stellen, maar in vergelijking met de beste andere opnamen klinkt het Dante kwartet wat kaal. Ook de koele aanpak zal daarbij een rol spelen. Het scherzo klinkt wat tam en het geheel is weinig verrassend. Als de naam Arcanto kwartet velen nog weinig zegt, zal menigeen verheugd reageren wanneer men weet dat het ensemble bestaat uit Antje Weithaus, Daniel Sepec, Tabea Zimmermann en Jean-Guihen Queras. Dat – een stel individuele sterspelers - hoeft op zichzelf geen garantie voor de hoogste kwaliteit te zijn, maar zoals veel vroeger bijvoorbeeld bij Casals in Prades en Perpignan al bleek, het kán tot verbluffend mooie resultaten leiden. De vier zich keurig in een homogeen geheel voegende persoonlijkheden hebben inderdaad wat bijzonders te bieden. Hier pakt de persoonlijke ervaring, gevoegd bij veel stilistisch inzicht uitstekend uit. Instinctief worden onopvallende, maar mooi in het totaalconcept passende persoonlijke accenten geplaatst. Een lyrische expressie en een dichterlijke welsprekendheid vallen het meest op naast coloristische finesse. Heel overtuigend. Het uit Nederlands-Engelse deelnemers, namelijk door Xander van Vliet, Marije Ploemacher, Simone van der Giessen en Nathaniel Boyd gevormde Navarra kwartet liet in Monmouth tijdens een optreden de opnamespullen van het nog onbekende label Sonimage meedraaien. Het resultaat mag gehoord worden. De uitvoering getuigt namelijk van veel en de juiste verbeelding, de toon is specifiek licht-Frans en ademt verder een volkomen idiomatische geest. Louter lof dus en opnieuw valt positief op hoezeer in jongere kwartetten gelukkig en eindelijk de invloed van geweldige musiciennes steeds groter wordt.
Conclusie Met de koppelingen – bij voorkeur met kwartetten van Debussy en Fauré – is hier geen rekening gehouden omdat het primair om Ravel gaat. Met voldoende marge voldoet het Ebène kwartet bij herhaling het beste, gevolgd door het Italiaans-, Melos-, Arcanto- en Belcea kwartet. Maar beluister vooral ook het verrassend goede Navarra kwartet! Wie een vervreemdende ervaring op het hoogste niveau wil ondergaan, moet het Aurelia saxofoonkwartet als extra kiezen.
Discografie
1933 Pro Arte kwartet. Biddulph LAB 105, Andante AND 2970 (4 cd’s).
1954 Quartetto italiano. EMI 574.792-2.
1959 Vlach kwartet. Supraphon SU 03461-2.
1961Végh kwartet. Orfeo C 3619418.
1962 Borodin kwartet. BBC Legends BBCL 4063-2.
1965 Quartetto italiano. Philips 454.020-2, 464.699-2.
1971 Orford kwartet CBCPSCD 2020.
1979 Melos kwartet. DG 419.750-2.
1983 Orlando kwartet. Philips 411.050-2.
1983 Chilingirian kwartet. Classics for Pleasure CFP 4652.
1984 Alban Berg kwartet. EMI 567.550-2.
1984 Emerson kwartet. DG 427.320-2.
1985 Nuovo quartetto. Denon 33C37-7830.
1985 Cleveland kwartet. Telarc CD 80111.
1988 Amati kwartet. Divox/Cosmus CD 28902.
1988 Kodály kwartet. Naxos 8.550249.
1992 Carmina kwartet. Denon CO 75164.
1993 Alcan kwartet. Analecta FL 23019.
1993 Keller kwartet. Erato 8573-89231-2.
1994 Tokyo kwartet. RCA 09026-62552-2.
1993 Hagen kwartet. DG 437.836-2.
1994 Lindsay kwartet. ASV CDDCA 930.
1995 Medici kwartet. Koch 36436-2 (2 cd’s).
1999 Ad libitum kwartet. Naxos 8.554722.
1999 Kuijken familie. Arcana A 303.
1998 Vertavo kwartet. Simax PSC 1201.
2000 Belcea kwartet. EMI574.020-2.
2006 Ysaye kwartet. Wigmore Hall Live WHLIVE 0012.
2006 Cuarteto Casals. Harmonia Mundi HMI 98.7072.
2006 Formosa kwartet. EMI 366.557-2.
2008 Quatuor Ebène. Virgin 476.6904.
2009 Szymanowski kwartet. CAvi-Music AV 18553158.
2009 Dante kwartet. Hyperion CDA 67759.
2009 Navarra kwartet. Sonimage SON 11002.
2010 Arcanto kwartet. Harmonia Mundi HMC 90.2067.
Bewerking tot saxofoonkwartet (bew. Arends)
1990 Aurelia saxofoonkwartet. Et’cetera KTC 1088.
Met onbekende opnamedatum
…. Academia kwartet. Dynacord CD 530.
…. Ad libitum kwartet. Nacos 8.554722.
…. Borodin kwartet. Chandos CHAN 9980.
…. Britten kwartet. EMI 754.346-2.
…. Capet kwartet. Biddulph LAB 133/4 (2 cd’s).
…. Debussy kwartet. Arion ARN 68647.
…. Guarneri kwartet. RCA VD 60909.
…. Juilliard kwartet. Testament SBT 1375.
…. Kodály kwartet. Naxos 8.550249.
…. Lasalle kwartet. Orfeo C 63200418.
…. Leipzigs kwartet. MDG 307.1359-2.
…. Parkányi kwartet. Praga DSD 250208.
…. Petersen kwartet. Capriccio C 10860.
…. Quatuor Parrenin. EMI 573.271-2.
…. Rubin kwartet. Arte Nova 74321-90069-2.
…. Schneiderhan kwartet. Orfeo C 402.951.
…. Sequoia kwartet. Delos 3004.
…. Skampa kwartet. Supraphon SU 03156-2.
…. Stuyvesant kwartet. Bridge BRIDGE 9137.
…. Talich kwartet. Calliope CAL 3893/4 (2 cd’s). |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
