DVORAK: SYMFONIE NR. 9

DVORAK: SYMFONIE NR. 9 UIT DE NIEUWE WERELD

 

 Dvoraks bekendste en laatste symfonie, zijn Negende (vroeger jarenlang ten onrechte bekend als de Vijfde), is een van de populairste werken in zijn genre. Niet alleen in de concertzaal, maar ook op elpee en cd. Het aanbod is overweldigend groot, een ‘mooiste’ opname valt dus niet aan te wijzen, maar hieronder wel een paar vingerwijzingen voor een verantwoorde keuze. 

Achtergronden

Toen Dvorak in 1892 vaste voet aan de grond zette in de Verenigde Staten, wist hij dat grote dingen van hem werden verwacht. “Blijkbaar moet ik ze de weg naar het beloofde land wijzen en naar het koninkrijk van een nieuwe, onafhankelijke kunst; kortom, om  aan nieuwe, nationale muziek te scheppen”. Dat schreef hij naar huis en het feit dat zijn komst samenviel met de viering van Columbus’ ontdekking van Amerika versterkte zijn gevoel van belast te zijn met een bijzondere missie.De Nieuwe Wereld symfonie is een soort muzikale retourreis die enerzijds voorwaarts reist naar de frisse weiden van het nog jonge land en daarna terug naar het vertrouwde Bohemen met zijn flora en fauna en het hart van de Tsjechische folklore.

Een eigenlijk wat buitenissig instrument, verwarrend Engelse hoorn genoemd terwijl het feite om een althobo gaat, heeft Dvorak in het tweede deel een tot succesnummer geworden melodie toevertrouwd die nog steeds standhoudt in allerlei arrangementen; die melodie komt in het Largo van deze symfonie voor. Het bewuste traditioneel vierdelige werk ontstond tussen 9 februari en 24 mei 1893 en werd voor het eerst uitgevoerd op 15 december dat jaar door het New York filharmonisch orkest onder leiding van Anton Seidl.

Als Legenda aangeduid, verhaalt de muziek over talloze dingen, treurig en fraai (en heel fraai treurig). Wat hier wordt gearticuleerd, is puur heimwee. De componist was op uitnodiging van het conservatorium naar New York gekomen en verbleef in de V.S. waar hij onder andere ook de specifieke muzikale expressie van Indianen en Zwarten leerde kennen. Maar de Nieuwe Wereld symfonie is toch vooral een aan Slowakije gerichte liefdesverklaring.

De bekendste thema’s uit dit nostalgische werk zijn intussen vaak misbruikt door TV producers en reclamemensen die geen weet hebben van zijn ontstaan ter ere van het vierde eeuwfeest van de ontdekking van Amerika door Columbus (net zomin als de meeste luisteraars trouwens). Hoewel zo volkomen Boheems van aard, zei Dvorak zelf over het werk: “De invloed van de V.S. kan worden vastgesteld door iedereen die over een neus beschikt”. Zeker, de muziek is heerlijk melodieus en briljant georkestreerd voor een groot orkest. Maar het is ook een lang werk dat in verkeerde handen langdradig kan aandoen. Onderstaande uitvoerenden hebben daar echter geen last van.

 

De opnamen

De allereerste 78-toeren opname van de symfonie werd op 10 april en 23/24 oktober voor Engelse Columbia gemaakt in de grote studio van dat merk in Petty France, Londen SW1. Daarna kwam vooral sinds de jaren vijftig vorige eeuw zoals het een meesterwerk uit het ijzeren repertoire betaamt een ware lawine aan opnamen tot stand, die na de elpee tijd een nieuwe impuls kreeg na de introductie van de cd.

Geen mens kan ooit alle hieronder genoemde opnamen hebben gehoord. Het moge duidelijk zijn dat de lijst ook allesbehalve volledig is, maar de essentie is genoemd en spreekt voor zich.  Sommige uitgaven waren van tijdelijke en lokale betekenis, veel andere zijn intussen nauwelijks of niet meer leverbaar. Geen nood: de essentie en de mooiste versies zijn wel uit die massa te lichten zonder dat het ook maar enigszins mogelijk is één grote echte favoriet aan te wijzen. Dat is trouwens maar goed ook. Bij het indelen leek het aardig om dat in secties te doen zonder elk der genoemden aan een uitvoerige bespreking te onderwerpen. Het is logisch te beginnen met de oer-Tsjechische opnamen.

De opnamen

 

De Tsjechen

De eerste opname door een Tsjechisch orkest van de Nieuwe Wereld symfonie werd in oktober 1937 door EMI in de Abbey Road 1 studio gemaakt door het Tsjechisch filharmonisch orkest onder George Szell. Rafael Kuibelik leidde feitelijk de tournee van het orkest, maar deze taak werd aan de internationaal bekendere Szell overgelaten. Hij zorgde voor een wat voorzichtige uitvoering met ongewenste tempobewegingen, maar het largo slaagde heel mooi. Otakar Jérémias kwam in Praag in 1943 tot een haast vergelijkbare prestatie. Václav Talich leverde ettelijke bijdragen op hoog niveau in 1942, 1954 en 1961 maar zijn opnamen zijn nauwelijks leverbaar. Ook Karel Ancerl ontfermde zich in de loop der tijd meermaals over het werk, maar voor hem geldt hetzelfde met als positieve uitschieter de opname uit 1961. Wat emotioneler is de aanpak van Václav Smetácek uit 1974. En dan is daar Rafael Kubelik met liefst vijf opnamen op zijn naam. De mooiste is eigenlijk nog steeds de Weense uit 1956, de bekendste uit Berlijn 1972 valt daarna wat tegen, is te geparfumeerd en zwaar en de laatste uit Praag 1991 ter viering van de val van het communistische regime is nauwelijks erg feestelijk.

Zo is het tenslotte Ancerl die bij de oudere Tsjechen de beste papieren heeft. Maar hij wordt nog een stuk overtroffen door de in Praag te gast zijnde Vladimir Ashkenazy met een prachtig liefdevol en zeldzaam idiomatisch spelend orkest en een mooi warm klinkende opname.

Uit de Nieuwe Wereld

Grappig genoeg was het in Chicago in 1953 opnieuw Kubelik die voor de eerste lp versie zorgde. Verrassend mooi nog steeds. Twee maanden eerder dan Kubelik wijdde Arturo Toscanini zich voor RCA aan zijn tweede opname, ditmaal in Carnegie Hall met als resultaat een niet alleen vrij snelle, maar ook lichtelijk agressieve verklanking. Een indruk die wordt versterkt door de schrille opnameklank. Zijn oudere versie uit 1938 is qua uitvoering en opname milder.

Uit Chicago stamt ook een opname van Fritz Reiner die wat tegenvalt en het vooral moet hebben van wat mooie momenten, zoals het trio uit het scherzo.  Nog minder overtuigend is de haast vulgariserende, neurotische Georg Solti hier, opnieuw vanuit Chicago. Paul Paray valt eveneens meteen af met een al te bruuske maar wel meeslepende interpretatie waarin het nogal aan charme ontbreekt.

Leopold Stokowski moet zeven opnamen hebben gemaakt van Dvorak IX, maar daarvan waren er in de gauwigheid maar twee te traceren. De mooiste daarvan is die uit 1940 met het jeugdorkest: alsof een mooi oud sprookje prachtig wordt naverteld. Maar niet goed tegen herhaling bestand. Bij het Philadelphia orkest zorgde Wolfgang Sawallisch voor een respectabele realisatie met een prachtig con fuoco eind, doch een verder wat slaperig uitgevallen geheel.

Grote distinctie en een liefdevolle, zangerige aanpak valt beide opnamen van Bruno Walter niet te ontzetten, maar in laatste instantie is zijn aanpak niet vurig genoeg. Weinig opvallend is de inbreng van Christoph Eschenbach in Houston. Overtuigender, maar niet echt groots is Christoph von Dohnanyi in Cleveland. Opnieuw prachtig orkestspel, dat wel en een fraai doortekende opname. De ‘live’ opname van Kurt Masur uit New York is best vitaal en heel bevredigend: een van de betere. Dat geldt opvallend genoeg ook voor de tot op heden laatste bijdrage uit de V.S. van Paavo Järvi uit Cincinnati. Heel overtuigend en evenwichtig.

Carlo Maria Giulini vervulde een brugfunctie tussen Amerika en Europa. Hij nam het werk driemaal op. Eerst in 1961 in Londen, daarna in 1977 in Chicago en tenslotte in 1998 in Amsterdam. Van dit drietal is de Amerikaanse opname het beste geslaagd.

Maar de overtuigendste allround prestatie uit de V.S. komt eigenlijk nog steeds van George Szell in Cleveland (1959).

 

Verder Europa

Niet meer dan een curiosum is de eerste Engelse Nieuwe Wereld uit 1927 van Hamilton Harty uit Manchester, hoewel de klank eigenlijk nog meevalt. Iets dergelijks geldt voor Erich Kleiber in Berlijn met een van de eerste ‘elektrische’ opnamen uit 1929 die keurig is verdoekt door Mark Obert-Thorn voor Naxos.

John Barbirolli (fel, levendig), Jascha Horenstein (onverwacht tam), Mstislav Rostropovich (zwaar, traag over-Slavisch), Zdenek Macal (Kubelik imitatie), Charles Mackerras (vreemde teleurstelling), Neeme Järvi (te ruig), Nikolai Malko (heel acceptabel, maar niet bijzonder), Otmar Suitner (heel redelijk), Lorin Maazel (heel evenwichtig, origineel en fel), Seiji Ozawa (prachtige strijkers, maar wat lichtgewicht), James Levine (haast te mild), Leonard Bernstein (elegisch, maar sterk wisselend niveau), István Kertesz (voor zijn tijd fantastisch), Rowicki (vrij eigenzinnig), Ormandy (te autocratisch) leverden alle prestaties die voor een paar keer de moeite waard zijn, maar die uiteindelijk minder beklijven. Ook Herbert von Karajan van wie – te beginnen in 1940 – vier audio opnamen plus één dvd opname ter beschikking staan, blijft bij zijn diverse ondernemingen teveel in zijn bekende streven naar gehomogeniseerde schoonklank steken waardoor de muziek niet het ideale karakter krijgt. Fantastisch mooi, maar er ontbreekt wat. Relatief het beste is zijn Weense opname uit 1985.

Wat dat betreft is de inbreng van Fricsay veel persoonlijker. Zijn eerste opname met het Berlijnse RIAS orkest is niet meer voorhanden. Zijn aanpak in de tweede uitgave is uitgesproken romantisch op het visionaire af en dringt telkens weer verrassend tot de kern van het werk door. Bijzonder is ook Otto Klemperer met zijn heel epische kijk op het werk met zijn van autoriteit getuigende, wat traag verlopende discours dat echter prachtig van architectuur is.

Blijven onder anderen nog Kiril Kondrashin (stoer, spontaan, feestelijk), Abbado (heel verzorgd en helder, prachtig orkestspel, mooi uitgezongen largo) en Rudolf Kempe (heel memorabel, verzorgd).

 

Het Nederlandse perspectief

De eerste vaderlandse opname van Willem Mengelberg uit 1941 is een catalogus van raak en mis momenten. Heel fascinerend met enerzijds mooi felle hoorns in het eerste deel dat te luid begint, een te zwaar uitgevallen largo, een fel scherzo en een naar het slot toe overrompelende finale. De tweede Concertgebouworkest opname dateert uit 1959 en is met de ontvlambare Antal Dorati aan het roer. Snelle, onderweg lichtelijk gemanipuleerde tempi en een helaas wat schreeuwerig luid largo zijn de kenmerken.

Bij Colin Davis klinkt het beter opgenomen orkest in 1977 niet alleen fraaier, maar wordt ook liefdevoller gespeeld en een ideaal structuurbesef getoond. Door de jaren heen was dit een van de mooiste versies en nu nog steeds behoort hij tot de top. Riccardo Chailly leverde aan de begintijd van zijn Amsterdamse periode in 1987 een respectabele. Vooral mooi lyrische prestatie die vooral van belang is en blijft voor de noeste verzamelaars van de Concertgebouw discografie maar die net niet tot de eindfavorieten doordringt. De Amsterdamse opname van de merkbaar oudere Giulini uit 1998 dreigt helaas te sterven in schoonheid en traagheid.

Blijven over de twee ‘live’ opnamen: de eerste van Nikolaus Harnoncourt uit oktober 1999, de tweede van Mariss Jansons uit juni 2003. Harnoncourt maakt echt iets bijzonders van het werk en belicht dingen die zo vaak verloren dreigen te gaan. Hij belicht het zonnige natuurkarakter van de symfonie als geen ander en vertelt het verhaal op heel boeiende, duidelijke wijze. Vergeleken daarmee is de ook een fractie minder transparant opgenomen Jansons wat alledaagser, hoewel heel fraai en altijd nog op het hoogste niveau.

Niet te versmaden is ook Yakov Kreizberg met een topprestatie van het Nederlands filharmonisch orkest. De muziek klinkt kernachtig, fris, nadrukkelijk: niets mis mee en dus verrassend goed.

 

Video

Karajan was primair een exponent van een zich gestaag enorm ontwikkelde geluidswereld en dus de geluidsmedia waarvan hij de hele ontwikkeling van analoge 78 toeren platen, via mono en stereo lp’s en de musicassette tot de digitale cd meemaakte. Maar hij vergat nooit dat het uitvoeren van muziek ook een andere eigen dynamiek heeft en zeker de dirigent. Van meet af aan besteedde hij in zijn latere leven een substantieel van zijn verdiensten (en van zijn ego) aan verfilmingen van zijn werk in de concertzaal en het operatheater. Meestal op hoogst dramatische wijze en op markant zelfenscenerende en zelfverheerlijkende manier. Aanvankelijk verscheen dat materiaal in VHS videocassettes en op laserdiscs, later brachten DG en Sony het deels ook in dvd vorm op de markt.

Wat de kijker/luisteraar daarbij te zien krijgt, is meer dan een mistige Noordwand van de dirigent, maar hij kan ook ervaren dat deze realisaties best bestaansrecht hebben en de moeite waard zijn. Temeer daar de geluidskwaliteit heel goed is verzorgd met stereo en Dolby 5.1 surround sound.

De enige (?) beeldopname van Dvoraks Negende van Karajan werd in 1985 in de Weense Musikverein zaal zonder publiek gemaakt. Het eerste deel begint wat gladjes, maar het Adagio heeft grote overtuigingskracht en de althobosolo aan het begin van het largo met de bekende ‘going home’ melodie heeft iets magisch, ook door de prachtige echo in de hoorns. Het scherzo begint van stug, maar wint geleidelijk aan vaart maar feitelijk niet genoeg. De finale biedt het gewenste poëtisch en majestueuze slot. Voor Karajan spelen de Weners wat minder gepolijst dan zijn Berliners, maar dat past wel bij het ietwat rustieke karakter van de muziek. Vandaar dat het oordeel over de hele linie positief uitvalt.

Conclusie

Het zal aan het eind van de rit niemand verbazen dat één echte favoriet niet aanwijsbaar is. Hooguit voor mensen die slechts één lievelingsdirigent of –orkest hebben en zich niet laten afleiden door andere muzikale overwegingen. Persoonlijke sym- en antipathieën zijn nooit uit te sluiten. De mijne gaan vooral uit naar Harnoncourt, Ashkenazy, Fischer, Szell, Kreizberg en Jansons, waarbij ik blij ben dat drie van de dierbaarsten uit Amsterdam komen. Maar verder keer ik ook graag af en toe terug naar Kubelik, Fricsay, Abbado, Kondrashin en Masur.

Discografie

1927. Hallé orkest o.l.v. Hamilton Harty. Symposium SYMCD 1169.

1927. Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Biddulph WHL 027.

 

1929. Orkest van de Berlijnse Staatsopera o.l.v. Erich Kleiber. Naxos 8.110907.

1937. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. George Szell. Dutton CDEA 5002.

1938. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Music & Arts ATRA 3011.

1940. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Polydor.

1940. All-American symfonie orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Music & Arts CD 841

1941. Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Teldec 8573-83025-2.

1942. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Václav Talich. Biddulph WHL 048.

1942. Standard symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Music & Arts CD 788.

1943. Orkest van het Praags Nationaal theater o.l.v. Otakar Jérémiaš. Esta H 5077/81.

1944. Münchens filharmonisch orkest o.l.v. Oswald Kabasta. Music & Arts CD 1072.

1948. Deens omroeporkest o.l.v. Nicolai Malko. HMV C 4023/7.

 

1949. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Václav Talich. Supraphon 606/10.

1952. Residentie orkest o.l.v. Antal Dorati. Philips (lp)

1953. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60279, 74321-59481-2.

1953. New York Stadium symfonie orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 477.000-2.

1953. Chicago symfonie orkest o.l.v. Rafael Kubelik. Mercury 434.387-2.

1954. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Václav Talich. Supraphon 11.1899-2, EMI 575.483-2.

1954. Royal philharmonic orkest o.l.v. Ratuur Rodzinsky. DG Westminster 471.272-2.

 

1955. RIAS orkest Berlijn o.l.v. Ferenc Frisay. DG

 

1956. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Rafael Kubelik. Decca 466.994-2.

1957. Chicago symfonie orkest o.l.v. Fritz Reiner. RCA 09026-62587-2, 82876-66376-2.

1957. Los Angeles symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Note MA 788.

1958. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony 60563.

1958. Hallé orkest o.l.v. John Barbirolli. Royale HR 703992.

 

1958. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Rudolf Kempe. Testament SBT 1269.

 

1959. Concertgebouworkest o.l.v. Antal Dorati. Philips 442.401-2.

1959. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Ferenc Fricsay. DG 423.384-2.

1959. Cleveland orkest o.l.v. George Szell. Sony MH2K 63151.

1959. Columbia symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Sony SMK 64484.

1960. Detroit symfonie orkest o.l.v. Paul Paray. Mercury 434.317-2.

1961. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Karel Ancerl. Supraphon SU 1927-2.

1961. Philharmonia orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. EMI 568.628-2.

1961. Royal philharmonic orkest o.l.v. Arthur Rodzinsky. DG 471.272-2.

1962. Royal philharmonic orkest o.l.v. Jascha Horenstein. Chessky CD 31.

1963. Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. EMI 763.869-2.

1963.Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Karel Ancerl. Orfeo C 395951B.

1965. Russisch Staatsorkest o.l.v. Jevgeni Svetlanov. Scribendum SCRI SC 030.

1966. Londens symfonie orkest o.l.v. István Kertész. Decca 466.212-2.

1966. Londens symfonie orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony SBK 46331.

1969. Londens symfonie orkest o.l.v. Witold Rowicki. Philips 456.327-2.

 

1971. Tonhalle orkest Zürich o.l.v. Rudolf Kempe. Scribendum  SCRI SC 001.

 

1972. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Rafael Kubelik. DG 447.412-2.

 

1974. Praags omroeporkest o.l.v. Václav Smetácek. Praga PR 250.

1975. BBC symfonie orkest o.l.v. Charles Groves. BBC Classics BBCM 5001-2.

1975. BBC Symfonie orkest o.l.v. Rudolf Kempe. BBC BBCCL 4056-2.

1976. Philharmonia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 574.961-2.

1977. Concertgebouworkest o.l.v. Colin Davis. Philips 438.347-2.

1977. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 253.652-2.

1977. Chicago symfonie orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. DG 423.882-2.

 

1978. Staatskapel Berlijn o.l.v. Otmar Suitner. Berlijn Classics BC 93952.

 

1979. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Kiril Kondrashin. Decca 448.245-2.

 

1979. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Mstislav Rostropovich. EMI 565.706-2.

 

1981. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Václav Neumann. Supraphon 11.1961-2.

 

1981. Chicago symfonie orkest o.l.v. James Levine. RCA 74321-68013-2.

 

1982. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. DG 410.032-2, 445.510-2.

1982. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Zdenek Macal. Classics for Pleasure CFP 9006.

1982. Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 410.116-2.

1983. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. EMI 572.136-2.

1984. Cleveland orkest o.l.v. Christoph von Dohnanyi. Decca 452.182-2.

1985. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 439.009-2.

1986. Schots nationaal orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 8510.

1986. Israel filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 427.346-2.

1987. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 421.016-2.

1987. Liverpool filharmonisch orkest o.l.v. Libor Pesek. Virgin 561.853-2.

1987. Philharmonia orkest o.l.v. Andrew Davis. Sony/BMG 82876-67890-2.

1988. Oslo filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. EMI 749.860-2, Brillant Classics 92779.

1988. Philadelphia orkest o.l.v. Wolfgang Sawallisch. EMI 749.114-2, 586.419-2.

 

1989. Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. André Previn. Telarc CD 80206.

 

1989. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Jiri Bélohlávek. Supraphon 11.0960-2.

 

1990. Praags omroeporkest o.l.v. Vladimir Valek. EMI 569.804-2, Supraphon SU 3802-2.

 

1990. Houston symfonie orkest o.l.v. Christof Eschenbach. Virgin 561.124-2.

 

1990. Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Stephen Gunzenhauser. Naxos 8.550271.

 

1990. Staatskapel Dresden o.l.v. James Levine. DG 447.754-2.

 

1991. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Rafael Kubelik. Denon CO 79728.

 

1991. Praags symfonie orkest o.l.v. Petr Altrichter. Supraphon 11.1810-2.

1991. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Charles Mackerras. EMI EMX 2202.

1991. New York filharmonisch orkest o.l.v. Kurt Masur. Teldec 9031-73244-2, Warner 8573-89085-2.

1991. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 432.996-2.

1995. Gran Canaria symfonie orkest o.l.v. Anthony Leaper. Naxos 8.558065/6.

 

1997. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 457.651-2.

 

1998. Concertgebouworkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. Sony 58946,  61709.

1998. Praags symfonie orkest o.l.v. Libor Pesek. Teldec 3984-25254-2, Classic FM 75605-57043-2.

1999. Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. LSO Live LSO 0001.

1999. Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec3984-25254-2.

2000. Boedapest festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Philips 464.640-2.

2001. Londens symfonie orkest o.l.v. Mstislav Rostropovich. EMI 567.807-2.

 

2001. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Ondine  ODE 962-2.

 

2003. Nederlands filharmonisch orkest o.l.v. Yakov Kreizberg. Pentatone PTC 5186019.

 

2003. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. RCO Live 04002.

 

2003. Slowaaks omroeporkest o.l.v. Ivan Anguélov. Oehms OC 376.

 

2004. Cincinnati symfonie orkest o.l.v. Paavo Järvi. Telarc CD 80616.

 

Met onbekende datum

Royal philharmonic orkest o.l.v. Paavo Järvi. Membran 222829.

Londens symfonie orkest o.l.v. Geoffrey Simon. Cala CACD 0102.

Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Capriccio 10386.

Praags Festival orkest o.l.v. Pavel Urbanek. Laser 15.517.

 

Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Kurt Redel. Pierre Vernay PV 789055

 

Philharmonica symfonie orkest o.l.v. Igor Ivanenko. Prism Classics PLD 1203.

New York Dvorak festival orkest o.l.v. Steven Richman. Music & Arts CD 1078.

Moskou’s filharmonisch orkest o.l.v. Dimitri Yablonsky. Belair Music BAM 2015, EMI 575.483-2.

 

Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Rafael Kubelik. Orfeo CDC 596021B.

Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. Rico Saccani. BPO Live BPOL 1014.

Philharmonia Hungarica o.l.v. Jan Valach. Talent  DOMSACD 17.

Philharmonia orkest o.l.v. Enrico Batiz.  Colosseum 3447216.

 

Omroeporkest Turijn o.l.v. Sergiu Celibidache. Bella Musica 316009.

 

Orkest van de Deutsche Oper Berlijn o.l.v. Rafael Frühbeck de Burgos. VKJK Querstand VKJK 9802.

 

Omroeporkest St. Petersburg o.l.v. Stanislav Gorkovenko. Mazur INF 1044.

Berlijns symfonie orkest o.l.v. Patrick Hoomfield. Reference Gold RGD 3610.

Philharmonia orkest o.l.v. Eliahu Inbal. Teldec 0630-19605-2.

Orkest van het Teatro musicale Triest o.l.v. Julian Kovatchev. Real Sound RS 9530137.

New Yersey symfonie orkest o.l.v. Zdenek Macal. Delos 3260.

 

Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Decca 436.505-2.

 

Filharmonisch festival orkest o.l.v. Boris Petroscoff. Bella Musica 312039.

 

Omroeporkest Brussel o.l.v.  Alexander Rahbari. Koch DICD 920.113.

 

Video

1985. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Sony SVD 48421 (dvd).

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site