FRANCK: VIOOLSONATE

FRANCK: VIOOLSONATE

 

Naast het pianokwintet vormt de melodieuze vioolsonate uit 1886 het belangrijkste kamermuziekwerk van Franck. Deze sonate werd geschreven als huwelijkscadeau voor zijn Luikse vriend, de grote vioolvirtuoos Eugène Ysaye. Het gaat om een zeer geslaagd voorbeeld van de cyclische vorm. Het werk begint met een loom allegretto dat in tempo op verzoek van de violist vanuit een oorspronkelijk adagio werd opgewaardeerd. Daarna volgen een vurig allegro, een recitatief-fantasie waarin wordt gerefereerd aan eerdere thema's en een vriendelijke finale die een van de fraaiste voorbeelden is van een canon sinds Bach.In geen van zijn andere werken wist César Franck zich met zoveel bravoure los te maken van zijn eigen instrument – het orgel – als in zijn vioolsonate. Musicologen roemen het werk om zijn revolutionaire structuur en het getoonde gevoel voor orde. Het gaat om een structuur van kiemcellen, van cyclische thema’s, een soort muzikale stream of consciousness die muzikale ideeën dooreen weeft op een manier die ook wel door Berlioz, Liszt en Wagner werd toegepast. Maar voor de liefhebber bezit deze sonate een magische werking dankzij het vloeiende karakter en de tere herinneringen aan erotische harmonieën. 

Achtergronden

César Francks echtgenote, Félicité moet het prototype zijn geweest van de argwanende en feeksachtige vrouw. Ze zag potentiële rivalen niet alleen in de bewonderende leerlingen van haar man, maar ook in wat ze meende waar te nemen in de verondersteld erotische harmonieën. Onbetamelijke dissonanten en treiterende enharmonischen beschouwde ze vol afkeer.Musicoloog Alfred Einstein daarentegen oordeelde: “Door op wel honderd manieren zijn thema en zijn contrathema’s te combineren en door deze later als een herinnering te laten terugkeren, introduceerde Franck een soort van oneindig vrije en subtiele variaties in de bloedstroom van de oude sonate”.De beroemde Belgische violist Eugène Ysaye voor wie de vioolsonate bij wijze van huwelijkscadeau was geschreven, beweerde dat het werk een verborgen boodschap bevatte. Het zou een allegorie over het huwelijk zijn. In het eerste deel wordt het stel verliefd, in het tweede begint het gekibbel en na een gedeelte vol twijfel, fantasie en amoroso in het derde deel, wordt in de finale de relatie bezegeld en gevierd. Natuurlijk moet deze toelichting met veel korrelen zouts worden genomen, maar het gaat ook niet om alleen maar een muzikale soap opera. Er is ook wel beweerd dat het eerste deel, een serene dialoog tussen viool en piano, de inspiratie kan zijn geweest voor Marcel Prousts briljante beschrijving van de sonate door de fictieve componist Vinteuil in een van zijn novellen. In het werk schuilt duidelijk een verhalend karakter en een psychologisch achtergrondverhaal. Hoe dan ook, menigeen houdt staande dat Francks meesterwerk het beste in zijn soort is sinds Beethovens Kreutzer sonate en zijn beide werken uit op. 96 (de sonates van Brahms waren er toen nog niet).Ysaye verzorgde de première in Brussel tijdens een middagconcert in 1886 in schemerlicht. Op zeker ogenblik moet hij met zijn strijkstok tegen de lessenaar zijn gestoten en tegen zijn in aandacht verslappende begeleider hebben uitgeroepen “Allons, allons” (schiet op!). Het laatste gedeelte van de sonate werd heldhaftig in het bijna duister uit het geheugen gespeeld.Francks leerling, Vincent d’Indy die zich onder de toehoorders bevond, schreef na afloop: “De muziek hield wonderlijk soeverein stand in de duisternis van de avond. Dat wonder zal nooit door de aanwezigen worden vergeten.” Dat wonder was natuurlijk niet een kwestie van het geheugen, maar van de muziek zelf. 

De juiste aanpak

Franck wenste oorspronkelijk dat het eerste deel in een tempo zou worden uitgevoerd dat dichter bij andante of zelfs adagio lag. Maar nadat hij het Ysaye sneller had horen spelen, gaf hij zijn zegen aan de aanduiding Allegretto ben moderato. De vertolkers moeten beslissen hoeveel gelegenheid ze geven aan de natuurlijke stroom van een deel in samengestelde tijd – met negen achtsten per maat – en hoe ze de harmonische nuancen en de melodische lijnen met rubato willen inkleuren. Moet de vier maten lange beginfrase van de piano een simpele wiegelied achtige inleiding zijn of is er sprake van een vraagstelling met een zweem tenuto? Het wonder van de vioolmelodie is beslist dat deze bestaat uit een schijnbaar eindeloos, 27 maten lang chanson. Het gevoel van continuïteit mag niet worden verbroken door het al te subtiel uitdiepen van details, maar dat gebeurt helaas wel vrij vaak.Violisten zullen graag proberen om een frase meer kleur te geven met behulp van een passende vingerzetting, maar dan kan de schoonheid van de toon de vertolker ertoe verleiden om de melodie te rekken en zo zowel de harmonische voortgang als de contouren van de hele melodie in gevaar brengen. Pas op voor de Midas touch waar noot na noot een gouden klank tot stand komt ten koste van de schoonheid met een langere adem. De som van het rubato in het eerste deel loopt te makkelijk uit op een reeks zelfbewuste, sensuele rallentandi die zeker provocerend zouden zijn geweest voor Félicité Franck. Genoeg om haar een waarschuwing te laten geven.De beginsolo in zestienden uit het Allegro geldt als een tour de force, vooral tengevolge van incompetente begeleiders. Beschouwd in de context van Chopin en Liszt is de virtuositeit hier niet erg opvallend, maar voor een stormachtige uiting is hij wel opmerkelijk. Dit moment bezit dezelfde meedogenloze vaart als Schuberts Erlkönig en hier moet de pianist beslissen voor hoeveel helderheid en articulatie hij moet zorgen in deze – en andere – snelle fragmenten in relatie tot het pedaalgebruik en de harmonische welluidendheid.Net als in alle sonates voor viool en piano is het afwegen van de ideale balans tussen beide instrumenten een voortdurende en belangrijke afweging. Het is duidelijk dat de fortissimi van een moderne Steinway de decibel mogelijkheden van de viool verre overtreffen. Er zijn momenten waarop de pianist luidheid moet simuleren zonder dat iemand merkt dat hij zich in wezen inhoudt.De buitenste snaren van de viool klinken als regel van nature luid genoeg, maar dit Allegro bevat heel wat maten waarin vingerzettingen op de zwakkere middelste snaren onvermijdelijk zijn terwijl niettemin het muzikale betoog fortissimo blijft.Er zijn ook terughoudende passages vol rust als in een kalm lied en de uitvoerenden moeten de overgangen van luide, stuwende muziek naar meegaande teerheid goed doseren willen er geen onhandige overgangen optreden. Een diminuendo betekent een verlies aan volume net als de zonsondergang een verlies aan licht met zich meebrengt. Maar in geen van beide gevallen mag de schoonheid erbij inschieten – die moet eerder toenemen.De Recitativo-fantasia vormt geen simpel voorspel van de finale; momenten stellen diepgaande vragen, bravura zwicht voor teerheid en de Thespische kwaliteiten van de vertolkers zijn van het hoogste belang. Net als in een monoloog van Shakespeare zijn de timing en het bezweren van een rijk, evocatief palet de belangrijkste werktuigen om de vereiste welsprekendheid te realiseren.De finale bevestigt de ultieme triomf van alles wat voorafging, van al het mooie. De violist en de pianist kunnen niet hechter verenigd zijn omdat het rondo thema van Franck de vorm van een canon heeft. 

De opnamen

In termen van de uitvoeringskwaliteit is de vioolsonate van Franck door de jaren heen beter bediend dan menige andere vioolsonate. Toch zijn er best afvallers in de race naar de top. Om te beginnen zijn natuurlijk weer niet alle hieronder gememoreerde opnamen verkrijgbaar. Zover dat op papier te beoordelen valt, lijkt dat geen groot gemis al kan het altijd zijn dat onbekende vertolkers op een obscuur label ineens voor grote verrassingen zorgen. Zover dat wel te controleren is, gooien trouwens die minder bekenden geen hoge ogen. Soit, daarmee moeten we leven.

Een grote – gelukkig aangename – verrassing is de opname uit 1923 van Jacques Thibaud en Alfred Cortot. De slotcadens bijvoorbeeld is onvergetelijk. Op zo’n moment vergeet men de door ruis geteisterde 78t klank. Cortot was natuurlijk als solist bijzonder, maar kon voortreffelijk begeleiden. Natuurlijk zijn er eigenaardigheden als de gespreide accoorden, de frappante harmonieën en de verlengde opmaten. Net als Thibaud is er veel rubato in zijn spel. De intonatie valt mee en als geheel is sprake van een spontane, gepassioneerde uitvoering.

Dan zijn er nogal wat opnamen die op papier wel veel te bieden hebben, maar die toch de eindronde niet halen. Daartoe behoort bijvoorbeeld helaas de live opname van Oistrakh en Richter uit 1968. De vonk vliegt niet echt over en het Moskouse publiek hoest er veel doorheen. Later wordt het beter. Richters vloeiende toucher in de Fantasia en Oistrakhs klagende sopraan in de finale zijn erg de moeite. Frappant is overigens dat ook menige andere grote naam onder de uitvoerenden in dit werk geen echt blijvende indruk nalaat: Francescatti, Heifetz, Menuhin, Mutter, Stern, Szeryng…..Tamelijk verrassend zijn de beide beschikbare versies van Ysaye’s landgenoot Arthur Grumiaux nogal teleurstellend. De Philipsopname uit 1960 klinkt niet best en heeft te lijden onder weinig verbeeldingsvol spel van Istvan Hajdu. In 1979 werd Grumiaux veel adequater terzijde gestaan door György Sebök, maar het samengaan is te weinig uniform. De pianist gebruikt rijkelijk veel pedaal in de zestienden passages en complementeert de scherp gefocusseerde toon van de violist te weinig.Enige eigenzinnigheid is Josef Suk en Jan Panenka niet vreemd. Ze nemen soms beslissingen die de structuur van de sonate in gevaar brengt, Het eerste deel bijvoorbeeld duurt langer dan ooit en Panenka’s rubato maakt dat de uitvoering soms bijna tot stilstand komt. Suks frasering is feilloos, maar zijn piano en pianissimo hebben een te direct timbre dat niet genoeg gesluierd is. Suk veroorlooft zich ook ongewone glissandi en portati, waardoor de aanpak erg ouderwets aandoet, Maar bijzonder is het wel voor een keertje.Gidon Kremer en Oleg Maisenberg gebruiken een enorm dynamisch bereik, maar klinken nogal eigenzinnig en zelfbewust. Wel heel mooi is het echte pianissimo begin, maar ook daar is de frasering wat te schuchter. Shlomo Mintz en Yefim Bronfman zijn bijzonder imposant in de meer extroverte climaxen, net als Gil Shaham en Gerhard Oppitz. Maar in het verdere verloop schieten ze toch tekort.Teleurstellend zijn onder meer Akiko Meyers en Rohan de Silva met een wel erg oppervlakkige vertolking. Een tweetal Franse violisten, Maurice Hasson en Pierre Amoyal daarentegen geeft heel evocatieve interpretaties, maar wordt helaas danig in de steek gelaten door de opnametechniek. Dan bestaat er een klassieke opname van broer en zus Menuhin uit 1936. Momenten van een groot inzicht en veel gevoeligheid staan hier helaas tegenover een teveel aan ongeregelde gedeelten. De oude opname van Jascha Heifetz en Artur Rubinstein uit 1937 is natuurlijk bijzonder, maar niet goed genoeg voor een aanbeveling, net zomin als Heifetz’ tweede versie met Brooks Smith.  De opname van Joeri Braginsky en Jevgenia Yarmonenko kreeg een aanbeveling van Menuhin mee, maar is helaas ook een near miss.Nogal opmerkelijk in de inbreng van de jonge Duitse violiste Miryam Contner, die zich als een vis in het water voelt bij dit Franse idioom. Ze toont een weldadige jeugdige passie en reageert levendig op alle interpretatieve eisen die het werk stelt. Haast nog poëtischer en op een andere manier aantrekkelijk is het Engelse koppel Jonathan Carney en Ronan O’Hara met ook veel intense vaart.Van de beide leerlingen van Oistrakh, Lydia Mordkovitch en Kaja Danczowska beschikken we over twee mooie uitvoeringen. Mordkovitch blinkt vooral uit in de meer dichterlijke gedeelten, jammer alleen dat haar partner niet eenzelfde welsprekende visie toont. Danczowska is in al haar bescheiden eenvoud heel bijzonder. Ze belicht op fantasierijke en heel natuurlijke wijze vrijwel alle essentiële facetten van het werk; Krystian Zimerman is de uiterst alerte en sympathieke begeleider die precies meegaat en waar nodig zelf initiatief neemt. Kenmerkend zijn verder het natuurlijke lijnenspel en de bijzondere, uiterst lieflijk aandoende viooltoon. Maar gelukkig ontbreekt het ook niet aan krachtige impulsen.Pinchas Zukerman en Marc Neikrug kwamen onvermoed tot een soort artistieke monogamie die vruchten afwerpt. Meteen de beginmaten vertonen grote samenhang tussen Zukermans zoetgevooisde sopraan en de harmonische reactie daarop van Neikrug, die ook verderop veel begrip toont voor de structuur en de harmonie, zoals in de eerste pianosolo passage met zijn rubato. De geconcentreerde eenvoud van het begin, de dichterlijke reactie van Ashkenazy op de melodiek van Neikrug treffen meteen. Elders in het 1e deel is hij soms al te scrupuleus en ontbreekt het wat aan dramatiek. Het tweede deel wordt hier gekenmerkt door een stuwende impuls en een intense lyriek. De Fantasia slaagde haast het mooist. Het klankpalet van Zukerman is heel fraai, zeker in de kalmer gedeelten, maar in laatste instantie ontbreekt het aan atletische kracht in de robuuster gedeelten.De aanpak van de destijds jonge Poolse Kaja Danczowska – van wie we helaas nooit meer wat hoorden – is heel lyrisch, bijna schuchter. Maar haar naturel en haar milde toon laten niet na grote indruk te maken en Zimerman begeleidt heel invoelend. Hij zorgt ook dat het interpretatieve vuur steeds wordt aangewakkerd. De eveneens vrij jonge Duitse violiste Marijam Contzen is ook iemand om te onthouden dankzij haar gepassioneerde, doorleefde kijk op dit werk.Augustin Dumay en Maria Joao Pires geven een kernachtige, dominant lyrische interpretatie, getuigend van een stevige greep op de grote structuren en met een lange adem. Het samenspel is hecht en getuigt van veel intelligentie, in de Fantasia treft de teerheid.Itzhak Perlman en Vladimir Ashkenazy maakten in 1968 een opname met veel karakter. Perlman – soms te zoetelijk in Bach, met teveel vibrato in Mozart en wat sentimenteel in Beethoven – is hier in zijn element met een mooi zangerig spel, heel welsprekend en prachtig van toon. Hij behandelt Francks lange frasen in liedvorm, heel natuurlijk, bijna als operazanger. Bovendien is sprake van een volledig technische perfectie. En dat alles gebeurt met schijnbaar gemak, met reserve en veel bravado. Ashkenazy doet aan de vleugel qua welsprekendheid, poëzie en uitstraling niet voor de violist onder.Perlman deed de Francksonate in 1998 nog eens over, ditmaal met 'wilde boskat' Argerich. Beide kunstenaars lijken elkaar tot nog geweldiger prestaties te inspireren, zo ongeveer als we dat van heel vroeger kennen uit het duel van Horowitz en Toscanini in Tschaikovsky's 1e pianoconcert, alleen ging het daar om een variant op de musicalsong Anything you can do I can do faster. Daar is hier gelukkig geen sprake van. Dat het om een inspirerende live opname uit Saratoga gaat, zal ongetwijfeld een grote rol spelen. Bij zulk spontaan, quasi improviserend spel vol vrije expressie raakt de structuur wat in het gedrang, maar wat zou het voor een keer. Ook foutjes, bijgeluiden, ongewone rubati en overdreven tempowisselingen tellen dan niet bij zoveel bevlogenheid en temperament.De afgelopen tijd verschenen nogal wat veelbelovende debuutopnamen van jonge violisten en cellisten die zich meestal met succes aan deze sonate wijdden. Bij de violisten misschien nog niet zozeer de te bescheiden en wat tamme David Grimal en de weliswaar verfijnde, maar in de spanningsopbouw wat tekort schietende Laurent Korcia, maar zeker wel Sarah Chang  met haar lichte toets, haar simpele, ontspannen en toch daadkrachtige aanpak met mooie vloeiende lijnen en een stevige greep op de geladen passages en Renaud Capauçon met zijn zangerige. intelligente, ongemaniëreerde, stijlvolle steeds expressief juiste visie.Maar de grootste waardering gaat nog steeds uit naar Kyung Wha Chung en Radu Lupu. Hun opname dateert uit 1977 en is in twee koppelingen verkrijgbaar (op Decca 421.154-2 met Debussy's vioolsonate en fluit/altviool/harpsonate plus Ravels vioolsonate en op 460.006-2 met Debussy's vioolsonate en Chaussons Poème).Chungs plooibare lijnenspel is prachtig gevormd al is ze wat terughoudend bij het bepalen van welke achtsten wèl en welke geen vibrato krijgen. Aan heldere virtuositeit mankeert het niet, de articulatie getuigt van zorgvuldigheid. De meest energieke en extroverte melodielijnen uit het allegro worden met ongeëvenaarde felle energie uitgevoerd. De kleuren die ze gebruikt worden niet ontleend aan de eerder vale uitersten van het spectrum. Het coda uit het tweede deel begint met gefluisterde achtsten die via een gevederd spiccato en een geleidelijke scherpstelling uitgroeien tot een tumultueus fortissimo. In de Fantasia zweeft Chungs pianissimo op het oppervlak van de snaar, maar het geluid gloeit als blijk van treffende finesse. In dit deel is het bereik aan kleur en nuance van beide kunstenaars heel uitzonderlijk. Wat in de finale het meest treft, is niet zozeer het karakteriseren van elke afzonderlijke episode, het expressiebereik en de dynamiek, maar de consistente vocale kwaliteit. Zelfs op zijn luidst krijgen de opwinding en de extase van een echt vibrerend cantabile het volle pond. Lupu toont zich heel gevoelig voor Francks harmonische idioom; het binnenleven van de accoorden is heel fraai en zijn linkerhand is voortdurend de “dichterlijk gelijke” van zijn rechter. Wat deze verklanking tenslotte vooral onderscheidt, zijn de volkomen natuurlijkheid en welsprekendheid. De opname heeft met de jaren niets aan glans ingeboet. Het langzame deel ademt een weldadige rust en de snelle zijn frappant exuberant. 

Conclusie

Nog steeds steekt de interpretatie van Chung en Lupu in feite nog met kop en schouders boven de rest uit. In afnemende voorkeursvolgorde komen hierna beide versies van Perlman met Ashkenazy en Argerich. Op weer wat afstand gevolgd door Dumay/Pires, Danczowska/Zimerman, Contzen/Rogatschef en Zukerman/Neikrug. Maar leen ook jongeren als Chang en Capauçon eens een welwillend oor; ze zijn het zeker waard. 

Andere combinaties

De vioolsonate is ook bekend via gedaanteverwisselingen tot altviool-, cello-, contrabas- of fluitsonate. Het loont zeker de moeite daarvan ook kennis te nemen. Ook hier aan alternatieven (er zijn er meer dan hieronder vermeld) geen gebrek. Voor de altvioolsonate valt vooral te denken aan Imai, voor de cellosonate aan Ma, Wispelwey en Wallfisch (bij de jongeren ook Müller-Schott en Vassilieva) en voor de fluitsonate aan Galway. Nu is er ook een klarinetversie in een arrangement van Pierre Lafay, bekend uit het Groningsemuziekleven. Voor wie meer, warmere kanten van het werk wil leren kennen, een boeiende optie.

 

Discografie

Pierre Amoyal en Pascal Rogé. Decca 444.172-2.

Pierre Amoyal en Mikhael Rudy. Erato 4509-94685-2.

Elvira en Eleonore Bekova. Chandos 9680. 1998

Simon Blendis en William Howard. ASV GLD 4019. 2005

Lola Bobesco en Jacques Genty. Pavane ADW 7292/3, Testament SBT 1360. 1982

Christophe Boulier en Marcelle Dedieu-Vidal. REM REM 311059.

Joeri Braginsky en Jevgenia Yarmonenko. Barcarolle 248004.

Renaud Capuçon en  Alexandre Gurning. EMI 557.505-2. 2002

Jonathan Carney en Ronan O’Hara. Tring TRP 081. 1995

Sarah Chang en Lars Vogt. EMI 557.679-2. 2003

Olivier Charlier en Jean Hubeau. Erato 3984-24234-2. 1983

Leland Chen en John Lenehan. Upbeat URCD 133. 1997

Chee-Yun en Eguchi. Denon CO 78954.

Kyung Wha Chung en Radu Lupu. Decca 421.154-2, 460.006-2. 1977

Marijam Contzen en Valery Rogatchef. Arte Nova 74321-59233-2. 1998

Arturo Delmoni en Bachman Vas. In Akustik MFSL 781.

Kaja Danczowska en Krystian Zimerman. DG 431.469-2.

Augustin Dumay en Maria Joao Pires. DG 445.880-2. 1993

Mischa Elman en Joseph Seiger.  Testament SBT 1344 (4 cd’s). 

Zino Francescatti en Robert Casadesus. Pearl GEMMCD 9250. 1945

Zino Francescatti en Robert Casadesus. Dante Lys 378. 1947

Christian Funke en Peter Rösel. Berlin Classics 9149-2. 1981

Ivry Gitlis en Martha Argerich. Sony 76713, RCA 74321-98836-2 (2 cd’s). 1977

Kai Gleusteen en Catherine Ordronneau. Avie AV 0037. 2003

David Grimal en Georges Pludermacher. Harmonia Mundi HMN 91.1681. 1999

Arthur Grumiaux en György Sebök. Philips 426.384-2.

Arthur Grumiaux en Istvan Hajdu. Philips 442.296-2. 1961

Maurice Hasson en Christian Ivaldi. Supraphon MCD 37.

Jascha Heifetz en Artur Rubinstein. EMI 764.929-2, Biddulph LAB 025, RCA 09026-61749-2, 09026-63007-2. 1937

Jascha Heifetz en Brooks Smith. RCA 09026-61777-2. 1972

Annie Jodry en Inger Södergren. Calliope 6904, 9804. 1992

Leonidas Kavakos en Anna Epperson. Koch 37009-2. 1987

Leonid en Nina Kogan. Orfeo C657.051B. 1978

Miriam Kontner en Valéry Rogatschef. Arte Nova 74321-59233-2.

Laurent Korcia en Jean-Marie Luisada. RCA 74321-87762-2. 2001

Kottmann en Günther Ludwig. Conifer B 7018-2.

Gidon Kremer en Oleg Maisenberg. Praga 250.024. 1980

Georg Kulenkampf en Siegfried Schulze. Alta Nova CDAN 2. 1941

Johanna Martzy en Jean Antonietti. Coup  d’ Archet COUPCD 001. 1959

Yehudi en Hepzibah Menuhin. Biddulph LAB 058. 1936

Yehudi Menuhin en Abram Makarof. Russian  Revelation RV 10067. 1945

Anne Akiko Meyers en Rohan de Silva. RCA 09026-61283-2.

Midori en Robert McDonald. Sony 63331. 1997

Shlomo Mintz en Yefim Bronfman. DG 415.683-2.

Georg Mönch en Massimiliano Damerini. Arts 47106-2.

Lydia Mordkovitch en Marina Gusak-Grin. Chandos 9109.

Anne Sophie Mutter en Lambert Orkis. DG 445.826-2. 1995

Anne Sophie Mutter en Alexis Weissenberg. EMI 253.058-2.

Marie Annick Nicolas en Boris Petrof. Auvidis V 4656.

Takako Nishizaki en Jenö Jandó. Naxos 8550417. 1990

David Oistrakh en Sviatoslav Richter. Melodia 74321-40710-2, Russian Revelation 10048. 1966 of 1968

Marc Pantillon en Huter. Disco Center Gal 500.632.

Frédéric Pelassy en Christophe  Simonet. BNL BNL 112817. 1991

Itzhak Perlman en Vladimir Ashkenazy. Decca 433.695-2, 452.887-2, DG 469.235-2. 1968

Itzhak Perlman en Martha Argerich. EMI 556.815-2. 1998

Gaston Poulet en Noel Lee. Arion ARN 68210. 1992

Ruggero Ricci en Martha Argerich. Etcetera KTC 1038.

Aaron Rosand en Seymour Lipkin. Connaisseur Audi 72039.

Heinz Schunk en Annerose Schmidt. Berlin Classics BC 9165-2. 1987

Dora Schwarzberg en Martha Argerich. Avanti 5414706-10232. 2005

Toscha Seidel en Harry Kaufmann. Biddulph LAB 138. 1951

Gil Shaham en Gerhard Oppitz. DG 429.729-2.

Mariana Sirbu en Mihail Sarbu. Dynacord 500.021.

Albert  Spalding en André Benoist. A Classical Record ACR 42. 1934

Vladimir Spivakov en Sergei Bezrodnyi. Capriccio 10.895. 2000

Isaac Stern en Alexander Zakin. Sony 64532. 1959

Josef Suk en Josef Hala. Koch Discovery DICD 920.306. 1994

Josef Suk en Jan Panenka. Supraphon 110710-2.

Shin-Ichi  Suzuki en Manfred Gurlitt. Symposium SYMCD 1156. 1928

Henryk Szeryng en Mindru Katz. CECD CD 105.

Gerhard Taschner en Walter Gieseking. Berlin Classics BR 200.053.

Jacques Thibaud en Alfred Cortot. Biddulph LAB  014. 1923

Jacques Thibaud en Alfred Cortot. EMI 763.032-2, Biddulph LHW 027. 1929

Rudens Turku en Milana Chernyavska. Avie AV 2080. 2005

Denis Zgigmondy en Anneliese Nissen. Hungaroton CLD 4034. 1974

Pinchas Zukerman en Marc Neikrug. RCA 09026-62697-2. 

Een keus uit de alternatieve versies:

Altvioolsonate

César Franck ensemble. Schwann 310552. 1992Nobuko Imai en Roger Vignoles. Chandos 8873. 1992

Felix Schwartz en Wolfgang Kühnl. Glissando 779017-2. 1999

Lars Anders Tomter en Håvard Gimse. Simax PSC 1126. 

Cellosonate (meest in arrangement Delsart)

Jiri Bárta en Marian Lapsansky. Supraphon 111828-2. 1992

Edmont Baert en Marian Lapsansky. Pavane 7.124/5.

Robert  Cohen en Roger Vignoles. CRD CRD 3391.

Dimitri Ferschtman en Baslavskaja. Globe 5057.

Michaela Fukacova en Ivan Klansky. Kontrapunkt 32013.

Ofra Harnoy en William Aide. Mastersound DCFDI 012.

Ofra Harnoy en Cyprien Katsaris. RCA 09026-61818-2. 1992

Frans Helmerson en Hans Palsson. BIS CD 500.035.

Stephen Isserlis en Pascal Devoyon. Virgin 561.198-2. 1989

Mical Kanka en Riccardo Caramella. Nuova Era 6834.

Emil Klein en Sorin Melinte. Arte Nova 74321-30468-2.

Aage Kvalbein en Reidun Askeland. Victoria VCD 19057. 1991

Yo-Yo Ma en Katryn Stott. Sony 87287. 2002

Mischa Maisky en Martha Argerich. EMI 763.577-2, 371.329-2. 1982

Mischa Maisky en Martha Argerich. DG 471.346-2. 2000

Trolls Mørk en Haakon Austbo. Sima PSC 1058.

Daniel Müller-Schott en Robert Kulek. EMI 575.201-2. 2002

Arto Noras en Bruno Rigutto. Finlandia 0630-14915-2. 1995

Esther Nyffenegger en Gerard Wyss. Divox CDX 25204-2. 1974

Ross Pople en Pascal Rogé, ASV CDDCA 769.

Jacqueline du Pré en Daniel Barenboim. EMI 763.184-2, 568.132-2. 1971

Paul Tortelier en Jean Hubeau. Erato 2292-45660-2.

Tatjana Vassilieva en Yumiko Urabe. Naxos 8.555762. 2001

Tatjana Vassilieva en Pascal Godart. Accord 476.1279. 2003

Raphael Wallfisch en John York. Cello classics CC 1009. 2002

Sonia Wieder-Atherton en Imogen Cooper. RCA 74321-91155-2. 2001

Dominique de Williencourt en Anne Queffelec. Forlane UCD 16585. 1988

Pieter Wispelwey en Paolo Giacometti. Channel Classics CCSSA 18602. 2002

Contrabassonate

Paradzik en Rademacher. Virgin 545.396-2. 

Fluitsonate

James Galway en Martha Argerich. RCA 09026-61615-2, 09026-63441-2. 1975

Jean-Claude Gérard en François Killian. Signum SIGX 21-00. 1987

Aurèle Nicolet en Daniel Berman. Tudor CD 721

Emmanuel Pahud en Eric Le Sage. EMI 557.813-2. 2004 

Klarinetsonate

Pierre Lafay en Elena Malinova. WestraMedia WM 230606. 2006 

Video

Yehudi en Hepzibah Menuhin. EMI DVB 492.363-9 (dvd). 1960
  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site