GRANADOS: GOYESCAS

GRANADOS: GOYESCAS

 

Niet lang voordat het schip waarop hij zich bevond werd getorpedeerd door Duitse duikboten in 1916 voelde Enrique Granados - tijdgenoot van Debussy - dat zijn compositorische loopbaan werd geopend door een diepe onderstroom van echte Spaanse gevoelens die hij fraai kon uiten in zijn muziek. Zijn pianosuite Goyescas en de daarop gebaseerde opera waren vermoedelijk de overtuigendste en persoonlijkste uitdrukking van dat sentiment, maar de talrijke korte pianostukken die hij schreef en waarvan sommige werden gebundeld in de banden Danzas españolas vertoonden ook al vonken van datzelfde nationalisme, ook al waren deze nog geworteld in een traditioneler Europees harmonisch en melodisch idioom uit de laatromantiek.

 

Achtergronden

De 6 Goyescas, een reeks hoogst virtuoze studies naar schilderijen van Goya als hommage (waaraan vaak als een encore no. 7 El Pelele als jeu d’esprit wordt gekoppeld), zijn uitgesproken Spaans van karakter, maar de invloed van de lokale folklore gaat meer terug tot de hoofse muziek zoals de Aragonese jota dan tot de Andalusische flamenco- of canto hondo stijlen die respectievelijk zigeuner- en Moorse invloeden verraden. Ze roepen een fantasiewereld op vol voornaamheid en stijl, het gaat om een krachtig, veelgelaagd eerbetoon aan Spanje. Een aanduiding aan het begin: con garbo y donaire (‘met charme en elegantie’) is een belangrijke aanwijzing voor de vertolker.

Zelf vertelt Granados hoe hij “verliefd werd op Goya’s psychologie, op zijn palet, op hemzelf, op de hertogin van Alva, op zijn ruzies, zijn modellen, zijn liefdes en vleierijen, op de rose en witte wangen tegen een achtergrond van kant en zwart fluweel, de ingesnoerde dameslichamen, jasmijnachtige handen – dat alles verbijsterde en beheerste mij”.

Granados verdeelde de reeks van zes stukken in twee delen, eentje met vier, de ander met twee stukken. De eerste cyclus met als ondertitel Los majos enamorados (‘de verrukte gelieven’) begint met ‘Los requiebros’ (‘vleierijen of complimenten’) in Noord Spaanse jota vorm met een licht improvisatorisch karakter en steeds wisselende ritmen. ‘Coloquio en la reja’ (‘Dialoog in de gevangenis’) is een tragisch duet tussen een gevangene en zijn meisje. Granados geeft hier aan, dat de rechterhand de menselijke stem moet uitbeelden en de linker de gitaarbegeleiding. ‘El fandango de candil’ (‘Fandango bij kaarslicht’) schildert dansers en hun bewegingen zoals gezien in zacht, flakkerend halflicht. De eerste band eindigt met het bekendste deel, ‘Quejas ó la maja y el ruiseñor’ (‘Klachten of het meisje en de nachtegaal’), een lyrische nocturne waarin het meisje voor de nachtegaal zingt en deze rapsodisch in cadenza-achtige stijl antwoordt. De ballade waarmee de tweede bundel begint, ‘El amor y la muerte’ (Van liefde en dood’) citeert motieven uit de eerste band. De componist vraagt dat dit dramatische deel “heel expressief alsof gelukkig om pijn te ondergaan” te spelen. Tenslotte wordt in de epiloog ‘Serenata del espectro’ (‘De serenade van het spook’) een grotesk beeld opgeroepen van een gitaarspelend skelet dat in de laatste drie maten in het niets oplost.

Het volledige werk werd voor het eerst in het jaar van zijn ontstaan door de componist zelf in 1911 uitgevoerd. Zijn technische vaardigheden moeten groot zijn geweest. In 1916 maakte hij er op een libretto van Periquet y Zuaznabar een opera eenakter van die datzelfde jaar in New York in première ging.

 

De opnamen

Helaas ontbreken tal van opnamen op het appèl. Meest zijn deze van onbekende pianisten op niet of lastig verkrijgbare cd labels: Battersby, Berthold, Block, Hiseki (hoewel over hem zeer positieve verhalen de ronde doen), Luisada en Meshalem. Is het gewaagd te veronderstellen dat zij nauwelijks in staat zijn de wèl verkrijgbare besten naar de kroon te steken?

In twee sets Nimbus opnamen bracht Martin Jones en op zes losse CRD cd’s ook Thomas Rajna als vermoedelijk enigen tot nu toe de complete gepubliceerde pianowerken van Granados op cd. De hier onbekende pianisten tonen een grote, welhaast instinctieve feeling voor deze muziek, die met name Jones verbeeldingsvol en fris tot leven wekt. Ook toont hij positieve persoonlijke impulsen en verrassende inzichten, speelt sprankelend, kleurig en ook in dynamisch opzicht heel geschakeerd. Aan duidelijke karaktertekening mankeert het evenmin. Het grootste compliment dat men Jones vermoedelijk kan maken, is dat hij in ‘Quejas, ó la maja y el ruiseñor’ Larrocha evenaart. Rajna speelt ook sympathiek en toont de nodige flair. Zijn opvatting getuigt bovenal van helderheid, maar als het op sfeer aankomt, is hij de mindere van Larrocha.

Ook Jean-François Heisser doet best mooie dingen, maar bij hem ontstaat een soort sterk persoonlijk Goyescas ‘light’ met opborrelende koolzuurbelletjes. Aan vingervaardigheid ontbreekt het hem geenszins. Eric Parkin toont aan dat hij ook over veel stijlgevoel voor deze materie beschikt; hij is zowel briljant als teer, telkens waar dat nodig is, maar hij blijft toch wat aan de buitenkant van de muziek. Wanneer een pianist niet een uiterste aan ritmische vitaliteit en veel gevoel voor het vloeiende karakter en de evocatieve sfeer van deze muziek toont, gaat deze vrij gauw vlak klinken. De Amerikaanse pianist Douglas Riva levert vermoedelijk op Naxos de goedkoopste versie van dit meesterwerk, maar hier grijpt hij boven zijn macht en komt hij niet tot een aanvaardbaar idiomatische weergave. Ongeveer datzelfde geldt voor Guinovart, die geheel op safe speelt en de muziek heel prozaïsch aanpakt

Spaanse landgenoten van de componist hebben een streepje voor bij het vertolken van deze muziek. Zowel iemand als Eduardo del Puyeo met al zijn flair en dichterlijke verfijning in de jaren vijftig als de doyenne onder de Spaanse pianisten Alicia de Larrocha eerst ongeveer tien jaar later voor Spaanse Hispavox (eerst door Erato, later door EMI heruitgegeven), daarna zo’n twintig jaar later op Decca en tenslotte in 1989 toonden als weinig anderen een volledig begrip voor de rijk geschakeerde stemmingen van deze muziek; hun vertolkingen gaven ook blijk van een grote overtuigingskracht en vaart. Zo kan Larrocha de muziek quasi uitbundig maar met waardige flamboyante trekken laten dansen in ‘El fandango de candil’ terwijl we met haar in het bekendste deel, ‘Quejas ó la maja y el ruiseñor’ met zijn wat klaaglijke melodie en zijn fraaie slotarabeske kunnen luisteren naar een vloedstroom van Mediterrane emoties die des te treffender zijn omdat ze overdreven rubato en sentimentele emoties vermijdt; de lange ‘Serenata del espectro’ is keurig als één geheel geconcipieerd, ‘El amor y la muerte’ heel genuanceerd en poëtisch en in ‘Los requiebros’ is zij galant, complimenteus. Dat de Spaanse deze muziek met haar kleine handen al haar hele leven speelt en dus geheel heeft eigen gemaakt, is duidelijk hoorbaar. Zij slaagde er drie maal in de muziek volkomen natuurlijk te laten klinken: zo en niet anders moet het.

Del Puyeo is hier minstens zo stemmig en sfeervol, soms haast nog poëtischer. In haar latere RCA opname komt bij Larrocha het Iberische koloriet net zo fraai en gedetailleerd uit en in haar eerdere Hispavox versie was ze driftiger, impulsiever en nog minder subtiel.

Wat de opera betreft: die bevat drie korte taferelen welke respectievelijk zijn gebaseerd op een ‘Intermezzo’ (dat als zelfstandige gitaarbewerking heel populair werd),  ‘La maja y el ruiseñor’ en de ‘Elegia eterna’ en duurt niet langer dan een uur. Er bestaat maar één volledige opname van en dat is gelukkig meteen een in alle opzichten heel mooie.

 

Conclusie

De sympathiekste en nog steeds meest idiomatische voordracht leverde nog steeds Larrocha in haar drie versies. Gezien de geluidskwaliteit, de bundeling werken (en de prijs) lijkt nog steeds de Decca dubbel-cd de beste aanbeveling. De ene versie van de opera heeft het rijk alleen en vormt een nuttige aanvulling op de pianoversie.

 

Discografie

Pianowerk

Edmund Battersby. Koch 37062-2

Beate Berthold. Naxos 8.551085.

Michel Block. ProPiano PPR 224518. 1981

Albert Guinovart. Harmonia Mundi HM 19870-2

Jean-François Heisser. Erato 8573-88046-2, Teldec 0630-14776-2. 1996

Hisako Hiseki. La mà de Guido LMG 2031. 1998

Martin Jones. Nimbus NI 5595/8 (4 cd’s), NI 1734 (6 cd’s). 1997

Alicia de Larrocha. EMI 764.524-2 (2 cd’s). 1963

Alicia de Larrocha. RCA RD 60408, 74321-84610-2 (2 cd’s). 1989/90

Alicia de Larrocha Decca 411.958-2, 433.920-2, 448.191-2 (2 cd’s). 1976

Jean Marc Luisada. DG 457.893-2.

Benita Meshulam. Chesky 125. 1993

Eric Parkin. Chandos CHAN 9412. 1993

Eduardo del Pueyo. Philips 442.751-2 (2 cd’s). 1956

Thomas Rajna. CRD CRD 3301.

Douglas Riva. Naxos 8.554403. 1998

 

Opera

María Bayo, Ramón Vargas, Enrique Baquerizo, Lola Casariego en Milagros Martín met Orfeón Donostiarra en het Madrileens symfonie orkest o.l.v. Antoni Ros Marbà. Auvidis V 4791. 1996

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site