HAYDN: CELLOCONCERTEN NR. 1 EN 2
Vergelijkende Discografieen

 

HAYDN: CELLOCONCERTEN IN C EN D

 

Bij verschillende branden zijn heel wat werken van Haydn verloren gegaan. Het Eerste concert was bestemd voor Joseph Weigl sr., cellist uit het Esterházy orkest in Eisenstadt, het Tweede voor Anton Kraft, de latere eerste cellist uit dat ensemble. Concerten in C en D, geschreven voor een van de sonoorste instrumenten: de cello.

 

Achtergronden

Drie celloconcerten H. VIIb nr. 1 in C, nr. 2 in D en nr. 4 in D staan te boek onder Haydns naam, maar alleen het eerste tweetal is authentiek. Het vanouds bekendste eerste concert in C ontstond waarschijnlijk in de periode 1761 tot 1765 en begint met een deel waarin het op grote virtuositeit aankomt; een vrolijke stemming beheerst het hele werk. En het adagio bevat een lange, heel innemende melodie.

Het tweede concert in D staat eveneens bekend om de bijzondere schoonheid van het middendeel, maar het eerste deel is wat lang voor wat het inhoudelijk te bieden heeft. In de finale wordt weer een uiterste aan virtuositeit verlangd. Hoewel het werk in 1783 ontstond toen Haydn op het hoogtepunt van zijn kunnen was, maakt het zijn beloften niet geheel waar.

Het Concert in C dat lang verloren was gewaand, werd pas in 1961 in de Rademin verzameling uit het Praags Nationaal Museum teruggevonden in de vorm van een kopie van een niet-autografisch manuscript. Het ontstond in de eerste periode van Haydns dirigentschap bij vorst Esterházy, in de tijd dat ook de symfonieën nr. 6, 7 en 8 ontstonden. In die werken gaf Haydn prominente rollen aan solo instrumenten; het is dus best mogelijk dat hij zo onder de indruk was van de prestaties van Weigl dat hij een apart concert voor hem schreef.

De geschiedenis van het Concert in D is niet minder turbulent. Kort na de eerste publicatie rond 1804 verscheen het in een versie voor fluit en orkest van Carl Friedrich Ebers (die later de woede van Von Weber wekte door diens klarinetkwintet als pianosonate uit te geven) en in 1890 herorkestreerde de Belgische musicoloog Gevaert het voor symfonie orkest, waarbij hij hele brokken orkest tutti coupeerde. Zo werd het werk decennia lang gespeeld totdat in de jaren vijftig vorige eeuw Haydns manuscript opdook en bleek dat hij het was die het werk in 1783 had geschreven. Die ontdekking ontkrachtte ook de theorie dat niet Haydn, doch Kraft de auteur van het concert zou zijn.

Beide werken zijn georkestreerd voor dezelfde bezetting, bestaande uit twee hobo’s, twee hoorns en strijkorkest. Ze zijn uiteraard ook in de gangbare driedelige vorm.

 

De opnamen

 

Aan het begin is het noodzakelijk om het materiaal te sorteren en te schiften. De ongedateerde opnamen vallen af omdat ze niet konden worden beluisterd. Zinloos was het om Christina Walewska en Heinrich Schiff in het verhaal te betrekken omdat hun Philipsopnamen niet meer courant zijn. Jammer, want zij behoren tot het kleine groepje uitblinkers.

Bij een eerste nadere selectie vielen ook Miklos Perenyi,  Ralph Kirshbaum, Anne Gastinel en Jian Wang af.

De vermoedelijk oudste opname van alleen het concert in C is van Emmanuel Feuermann uit 1935. Curieus voor een keertje om te ervaren hoe het werk destijds door een bekende grootmeester werd gespeeld.

Bij de modernere opnamen begint de reeks bij Jacqueline du Pré. Waar het aan ligt, is moeilijk vast te stellen, maar zo goed als ze is in de celloconcerten van Dvorak en Elgar, zo matig overtuigt ze hier. Dat ligt aan wat romantiserende overdrijvingen en een schijnaar teveel aan zelfbewustzijn. Bovendien is het tweetal concerten ongelukkig verspreid over twee cd’s. Aan warmte en intensiteit mankeert het niet, eerder is er teveel. Het ene concert wordt gedirigeerd door Daniel Barenboim met wie ze net was getrouwd, het andere door John Barbirolli.

Om de levendigheid van het tweetal concerten uiterst virtuoos naar voren te brengen, was Mstislav Rostropovitch natuurlijk de ideale persoon. Hij heeft een voorkeur voor (erg) snelle tempi en een grote, bruuske toon waarmee hij de fijne teerheid die sommige andere cellisten aan de dag leggen ontkent. Maar de vaart en het engagement waarmee hij alle hoekdelen uitvoert, hebben iets onweerstaanbaars. Ook de beide adagio’s zijn exquisiet. In het licht van de meer authentieke uitvoeringspraktijk is het totale resultaat langzamerhand wel lichtelijk ‘over the top’.

Dat blijkt duidelijk wanneer hierna als eerste interpreet in historisch verantwoord perspectief Christophe Coin wordt beluisterd. Daar klinkt alles veel subtieler, kleinschaliger, helderder.

Van Mischa Maisky is bekend dat hij nogal een zelfbewuste egotripper kan zijn; klassiek repertoire ligt hem dan ook minder dan romantisch waarin hij beter kan zwelgen. Om deze redenen beklijven zijn uitvoeringen niet als de meest stijlgetrouwe.

Wat dat betreft is Yo-Yo Ma een veel passender vertolker en ook een meester op zijn instrument, een verfijnd virtuoos die niet in staat blijkt een lelijke toon op zijn instrument te produceren, om maar te zwijgen van een ongelukkige intonatie. Men voelt een volkomen engagement in alles wat hij doet. De cello mengt prachtig met het orkest dat hem geen moment overstemt. De integratiekwaliteit is hier het bijzondere.

Van EMI kreeg de veelbelovende debutante Han Na Chang een kans. Ze gaat met het nodige zelfvertrouwen door alle bewegingen, maar biedt behalve de nodige verfijning  verder weinig eigens en dus weinig toegevoegde waarde. Ook het orkest begeleidt vrij routineus. Een hoogtepunt is wel het mooi uitgesponnen langzame deel uit het Concert in D.

In het beste geval kunnen ‘authentieke’ uitvoeringen slechts naar de geest van het vroegere streven en moeilijker naar de letter daarvan. Niettemin komt Anner Bijlsma dichter bij dat ideaal in de buurt dan menig ander. Hij zet ons een zonnige Haydn voor die er plezier in moet hebben gehad om de virtuositeit van zijn solocellisten op de proef te stellen. Hij geeft lenige, maar tevens ook scrupuleus klassieke en evenwichtige verklankingen met in het Concert in D zelfs een sprankje romantiek in het langzame deel, gevolgd door een briljante, geestige finale. Zijn snelle passagewerk in de hoge registers is prachtig. De statige waardigheid van het Concert in D komt geheel tot gelding; de vertolking is goed geproportioneerd en Bijlsma gebruikt zijn eigen aanpassingen van cadensen uit die tijd.

Met zijn vroeg achttiende eeuwse Domenico Montagnana cello zorgt Truls Mørk voor een vrij ongewone teerheid. Hij kan een krachtige toon produceren zoals bij de inzet van het concert in C. Over het geheel komen beide werken elegant en geanimeerd met precies de juiste mate aan expressieve vrijheid naar voren. Het Noorse orkest begeleidt attent, maar de hobo’s en hoorns hebben het wat moeilijk in de galmende kerkakoestiek.

Met het ensemble Florilegium gaat Pieter Wispelwey ook op de ‘authentieke’ tour. Wat volgt zijn twee hoogst gemotiveerde en geïnspireerde uitvoeringen met een lichtelijk geslepen karakter; het klankweefsel is steeds mooi open en helder. De hoekdelen verlopen in snelle tempi maar dankzij de zuivere articulatie van de solist doen ze geen moment jachtig aan. De langzame middendelen gaan daarentegen mogelijk net wat te langzaam waardoor hun elegante karakter wat aan glans inboet, maar een voortdurend engagement staat buiten kijf.

Niet minder stijlbewust is Steven Isserlis; hij moet aanzienlijk zijn gestimuleerd en geholpen door de geweldige begeleiding van het Europees kamerorkest. Hij speelt elegant, maar neemt de langzame delen wel wat snel, al overdrijft hij gelukkig niet in de finales. De toets is steeds licht.

In de reeks historiserende uitvoeringen maakt Hidemi Suzuki met La petite bande een heel goede indruk. Aan virtuositeit, lichtheid, fraaie toon, gevoeligheid en verfijning geen gebrek. Vooral de finales profiteren hiervan: ze klinken spetterend virtuoos en meeslepend. Kuijken en zijn ensemble staan over de hele linie nogal snelle tempi voor.

Dat bij Jean-Guihen Queras de Latijnse inslag op de achtergrond goed hoorbaar is, zal geen verbazing wekken. Ook hij baseert zich op de oude uitvoeringspraktijk en had zich wat dat betreft nauwelijks betere partners kunnen wensen dan de Freiburgers. Wat resulteert zijn twee mooie, gave interpretaties waarop niets is aan te merken, maar waaruit uit geen duidelijke persoonlijkheid spreekt.

Als begin twintiger bespeelt Gautier Capuçon de cello al met het meesterschap en de beheersing van een oude rot. Het lichte karakter van zijn voordracht en de helderheid van zijn spel verraden iets van de Franse celloschool. Het hoogste register met name klinkt prachtig bij hem. Charme en waardigheid gaan hier hand in hand. Met dirigent Harding bestaat volkomen overeenstemming over de tempokeus die eerder mikt om een galante stijl dan op het tonen van ongeremde virtuoze vaart. De articulatie is beiderzijds aan de luchtige kant en het Concert in C munt uit door zijn verfijnde, echt klassieke inslag. Nog spiritueler, flitsender en energieker komt het Concert in D uit de verf met het adagio als een meditatief rustpunt, de finale sprankelt aristocratisch.

De samenwerking van Quirine Viersen met Jan Willem de Vriend en zijn Combattimento Consort waarmee wordt gestreefd naar de oude muziekpraktijk met moderne middelen werpt mooie vruchten af. Luister bijvoorbeeld naar de reactie op het dramatische en komische potentieel van Haydns bravura episoden met hun royale sprongen en staccato herhaalde noten. Maar wat ook in herinnering blijft is de souplesse van de cantabile frasering en het kleurengamma tot in de zachtste gedeelten.

De lage prijs, de voortreffelijk klinkende opname en de levendige begeleiding zijn in het voordeel van de goed, maar niet echt bijzonder spelende Ludovit Kanta die wel opvalt met een stel interessante eigentijdse cadensen.

Niets tegen de briljante de briljante, enthousiaste manier waarop Antonio Meneses de solopartijen voordraagt, maar hij had er verstandiger aan gedaan om een dirigent in te huren want nu sluit de begeleiding soms niet helemaal en dat gaat bij herhaald beluisteren storen.

 

Conclusie

 

Gelukkig zijn er heel wat bovenmodaal goede opnamen; de uiteindelijke keuze richt zich echter vooral op Capuçon, Wispelwey en Suzuki met eervolle plaatsing voor Mørk, Isserlis en Suzuki. Voor zon-, feest en andere hoogtijdagen natuurlijk ook nog Rostropovitch.

 

Discografie

 

1935 Emmanuel Feuermann met symfonie orkest o.l.v. Malcolm Sargent. Pearl GEMMCD 9442.

 

1967 Jacqueline du Pré met het Engels kamerorkest o.l.v. Daniel Barenboim c.q. Londens symfonie orkest o.l.v. John Barbirolli. EMI 566.896-2/566.948-2.

 

1972 Christina Walewska met het Engels kamerorkest o.l.v. Edo de Waart. Philips 438.797-2 (2 cd’s).

 

1975 Mstislav Rostropovitch met de Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. EMI 749.305-2, 567.234-2.

 

1982 Christophe Coin met het de Academy of ancient music o.l.v. Christopher Hogwood. Oiseau Lyre 414.615-2.

 

1986 Mischa Maisky met het Europees kamerorkest. DG 419.786-2.

 

1986 Miklos Perényi met het Liszt kamerorkest o.l.v. János Rolla. Hungaroton HCD 12121, Laser 14009..

 

1987 Heinrich Schiff met de Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Philips 420.923-2.

 

1989 Yo-Yo Ma met het Engels kamerorkest o.l.v. José-Luis Garcia. Sony SM2K 89984 (2 cd’s).

 

1989 Han-Na Chang met het Dresdens Staatsorkest o.l.v. Giuseppe Sinopoli. EMI  556.535-2.

 

1990 Anner Bijlsma met Tafelmusik o.l.v. Jeanne Lamon. Harmonia Mundi RD 77757.

 

1991 Truls Mørk met het Noors kamerorkest o.l.v. Iona Brown. Virgin 545.014-2.

 

1992 Ralph Kirshbaum met het Engels kamerorkest o.l.v. Pinchas Zukerman. RCA 09026-62696-2.

 

1994 Pieter Wispelwey met Florilegium. Channel Classics CCS 7395.

 

1996 Steven Isserlis met het Europees kamerorkest o.l.v. Roger Norrington. RCA 09026-68578-2.

 

1998 Hidemi Suzuki met La petite bande o.l.v. Sigiswald Kuijken. Duitse Harmonia Mundi 74321-935482.

 

1998 Anne Gastinel met het Moskou’s Solisten ensemble o.l.v. Joeri Bashmet. Auvidis V4820.

 

1998 Jian Wang met het Gulbenkian orkest o.l.v. Mu Hai Tang. DG 463.180-2.

 

2004 Jean-Guihen Queras met het Freiburgs barokorkest o.l.v. Petra Müllejans. Harmonia Mundi HMC 90.1816.

 

2004 Gautier Capuçon met het Mahler kamerorkest o.l.v. Daniel Harding. Virgin 545.560-2.

 

2006 Quirine Viersen met Combattimento Consort Amsterdam o.l.v. Jan Willem de Vriend. Et’cetera KTC 5251.

 

2007 Ludovit Kanta met  de Capella Istropolitana o.l.v. Peter Breiner. Naxox 8.550059.

 

2009 Antonio Meneses met Northern Sinfonia. Avie AV 2176.

 

Met onbekende opnamedatum

 

…. Pierre Fournier met de Luzern Festival Strings o.l.v.  Rudolf Baumgartner. DG 477.5939 (6 cd’s).

 

…. Reiner Ginzel met het Dresdens filharmonisch kamerorkest. Hänssler 98941.

 

Video

 

1975 Mstislav Rostropovitch met de Academy-of-St.Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. EuroArts 2072068 (dvd).

 

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site