ORFF: CARMINA BURANA

ORFF: CARMINA BURANA

 

Er zijn componisten die hun roem aan één enkel werk te danken hebben. Tot diegenen behoort Carl Orff. Zijn lekker sappige Latijn-Middelhoogduits hommage aan de late Middeleeuwen en Wein, Weib und Gesang aan de lente, de kroegjool en uiteraard de liefde op basis van onder andere in kloosters teruggevonden dertiende eeuwse teksten - dat alles vergezeld van een geheven wijsvinger richting rad des (nood)lots – behoort inderdaad tot de populairste koorwerken uit de twintigste eeuw.

 Achtergronden

In de jaren twintig van de vorige eeuw streefde de Münchense Günther Schule naar een “Herleving van de door de natuur gegeven eenheid van muziek en beweging, muziek en dans”. Het resultaat: een omvangrijk Schulwerk –van Carl Orff (1895 – 1982) en een methode om de jeugd te winnen voor goede muziek. Het Orff instrumentarium met veel slagwerk deed ook bij de meeste Nederlandse muziekscholen zijn intrede.

De methodiek was gebaseerd op de aanname dat iedereen een zekere muzikale aanleg moest hebben en dat beweging en muziek onafscheidbaar zijn. Daarom werden de jonge studenten in hun cursussen onderworpen aan een gecoördineerde opleiding op het gebied van muziek, gymnastiek en dans.

Daarnaast was hij gefascineerd door de klassieke tragedie, het Beierse boerenleven, primitieve muziekvormen en Christelijke mystiek. Dat alles bijeen leidde in 1936 tot het ontstaan van zijn koorwerk Carmina burana waarin hij een verbinding legde tussen onder andere aan Stravinsky ontleende bruïtistische klanken en Middeleeuws taalgebruik – (potjes)Latijn, Middelduits en –Frans).

De première in Frankfurt was een sensationeel succes. Hoewel zijn volgens sommigen terecht niet geheel van Nazismetten vrij geoordeelde muziek op de nodige bezwaren is gestuit – net als zijn Beierse streekgenoot RIchard Strauss schreef hij muziek voor de Olympische spelen van 1936 in Berlijn en schreef hij nog controversiëler nieuwe toneelmuziek bij Shakespeare’s Midsummer Night’s Dream ter vervanging van die van de ‘entartete’ Jood Mendelssohn – genoot en geniet  vooral deze elementaire, hedonistische Carmina burana nog steeds grote populariteit, juist ook bij jongeren. Tot Orffs verdediging is wel aangevoerd dat hij in wezen een volkomen apolitiek iemand was die alleen voor zijn werk leefde.

Hoewel het werk tegenwoordig vrijwel altijd wordt uitgevoerd als koorwerk met solisten, is Carmina burana oorspronkelijk een voor het toneel bedoelde ‘scenische cantate’. Orff baseerde zoals al opgemerkt zijn materiaal op een reeks teruggevonden Middeleeuwse Latijnse teksten waarin Christelijk mededogen is vermengd met de wereldse geneugten, maar dat laatste element zet hier de dominante toon, zoals snel kan worden vastgesteld aan de hand van de ondertitels voor de drie delen na het begin/slotkoor ‘Fortuna imperatrix mundi’, namelijk:: ‘Primo vere’ met ‘Uf dem Anger, ‘In taberna’ en ‘Cour d’amours’, ‘Blanziflor et Helena’.

De muziekstijl van het werk grijpt in hoge mate terug op Stravinsky’s Les noces en Oedipus rex. Die relatie wordt heel duidelijk in Orffs gebruik van het koor en in de uitermate percussieve orkestratie. Maar in tegenstelling tot Stravinsky maakt Orff weinig gebruik van langgerekte melodieën, thematische ontwikkeling of polyfonie. Het is een en al ritme. Vandaar de term neoprimitivisme, Stravinsky had het zelfs over ‘Neo Neanderthal’. Maar die ritmische vaart geeft Carmina burana wel zijn karakter vol wilde overgave. Anderzijds liep Orff met zijn gebruik van eindeloze herhalingen als structureel principe al jaren vooruit op de composities van Cage en Harrison uit de V.S. en ook al decennia vooruit op de minimal music.

 De opnamen

Is het verrassend dat van Orffs robuuste, wellustige scenische cantate inmiddels ruim 55 opnamen ter beschikking staan? In de lijst hieronder zijn dan nog niet eens een oudere Supraphon- en Berlin Classics opname vermeld plus een paar andere op moeilijk leverbare labels.

De meeste van al deze opnamen onderscheiden zich slechts door het niveau van de solisten, het koor en het orkest en uiteraard door de opnamekwaliteit van de vele amateuruitvoeringen. Misschien niet zo’n wonder, gegeven Orffs educatieve bedoelingen en de bewuste bedoeling om het werk met zijn melodieuze minimalisme geschikt te maken voor een brede populistische smaak.

De voorlopig nieuwste opname van Marin Alsop is helaas ook meteen de slechtste sinds lang. Slechte, slordige uitspraak en articulatie van solisten zowel als koor: in het beste geval is het resultaat ongeïnspireerde, niet echt geëngageerde routine.

Eugen Jochum en Ferdinand Leitner behoorden tot de eersten die het werk medio jaren vijftig van de vorige eeuw voor DG vastlegden (Jochum als ik me goed herinner op een 25cm lp). Beiden hadden de imprimatur van de componist zelf, wat niet zoveel meer zegt. Bij de opvallend dynamische Jochum in zijn tweede versie uit 1967 treffen de prachtige, roomkleurige, hoogst verleidelijke inzet van Gundula Janowitz, waardig en geweldig mooi, maar niet echt sensueel in ‘Stetit puella’; Stolze met zijn fraaie falsetto is een ideale geroosterde zwaan en Fischer-Dieskau een (te?) aristocratische, rijk geschakeerde abt; hij is daar haast onherkenbaar! In de fraai geremasterde vorm komt nog beter naar voren hoeveel aandacht de dirigent aan het detail schenkt – vooral op het punt van articulatie en tempo. Als geheel heeft de uitvoering veel vaart en de koren bezitten grote kracht. De opname had wat directer mogen klinken.

Frappant genoeg hebben een paar van die oudste opnamen door digitale verdoeking aan nieuwe glans en waarde gewonnen. Neem naast Jochum ook Ormandy uit 1960. Zijn verklanking is nu in verjongde sacd vorm beschikbaar. Heel heldere, pittige opname waaruit blijkt dat alle betrokkenen veel plezier aan hun onderneming beleefden. De solisten vonden een volmaakt evenwicht tussen vocale accuratesse en een levendige uitbeelding, het koor schuwt nauwelijks wat passende ruigheid, gevoegd bij veel zwier en esprit en Ormandy’s orkest projecteert een ideale combinatie van pittige kracht en warme gloed.

Daarna volgde in 1956 de 33-jarige Wolfgang Sawallisch met een door de componist geautoriseerde versie. In mono nog, maar best goed gedaan en eigenlijk nog pakkend klinkend. Laten we ons beperken tot de daarna uitgebrachte mooiere.

Bij Telarc is het altijd primair de geweldig goede, natuurlijk en levensecht aandoende opnamekwaliteit die treft. Dit geldt ook voor Shaws opname uit 1980. De dirigent gaat tamelijk snel en erg metrisch te werk. Daardoor komt het Cours d’amour gedeelte er wat bekaaid af. Als geboren koorleider zorgde de dirigent voor voortreffelijke resultaten in die discipline, alleen de jongetjes vallen wat tegen. De drie solisten zijn goed, niet geweldig.

Wie een gok wil wagen, kan ook eens proberen naar de onbekender, lastiger te verkrijgen maar verder heel treffende verklanking van David Hill (Virgin) die  boven de middelmaat uitstijgt maar niet tot de eredivisie kan doordringen.

Bij Riccardo Muti staat de dramatiek van de compositie voorop: snelle tempi, grote dynamische contrasten zijn troef. Opwindend klinkt het wel, maar ook enigszins ademloos. Uitstekende solisten, een matig volwassenenkoor, heel goede jochies, maar helaas schiet de opnamekwaliteit nogal tekort. Vaagheid heerst.

Bij Frühbeck de Burgos klinkt het werk wat te tam door een gebrek aan vitaliteit, maar de lyrische gedeelten zijn wel goed geslaagd. Zij getuigen van verbeelding en toewijding. Aan precisie geen gebrek bij koor en orkest. Het koper imponeert in de heel helder klinkende opname. Lucia Popp is bewonderenswaardig in ‘Amor volat’, Unger toont zijn achtergrond als liedzanger in de kroegscène.

Een uitstekende troef in opnametechnisch opzicht biedt Slatkin, maar de zijn interpretatie is verder in geen enkel opzicht opmerkelijk. Vergeten dus maar.

De heruitgave op Warner Apex van Mehta’s Teledec opname uit 1992 is heel homogeen van aard met goede solisten, een degelijk koor en een echt puberaal klinkend jongenskoor. Sumi Jo is in de sopraanpartij verleidelijk, maar iets te intellectualistisch, Skovhus is eerder fel en grof dan subtiel. De dirigent gaat gedegen te werk, maar toont niet al te veel verbeelding. De opname is erg galmrijk.

Ozawa waagde zich tweemaal aan het werk, in beide gevallen met spontaan, fris, lichtgewicht resultaat. De eerste keer, in Boston ging hij vrij nadrukkelijk te werk met een lichtelijk oppervlakkig eindresultaat. Bij de solisten imponeert Milnes het meest, Kolk klinkt wat geknepen, hoewel dat misschien tijdens het roosteren van de zwaan verklaarbaar is. Een eerder effectieve dan volkomen geslaagde versie. De Berlijnse digitale remake verdient de voorkeur. Hier klinkt het werk namelijk frisser, vitaler, spontaner. Hoogtepunt is het Cours d’amour gedeelte met een geweldig verleidelijke Edita Gruberova. Indrukwekkend ook de inbreng van Thomas Hampson als abt. De opname bezit demo kwaliteit.  

Een aangename verrassing uit onverwachte hoek bood Mata in 1980. Storend zijn hooguit wat kleine imperfecties in de realisatie, maar die worden aardig gecompenseerd door de vrolijke, ongedwongen aanpak. Het kathedraalkoor is overtuigender dan het koor van het symfonie orkest., maar klinkt niet echt jongensachtig. Uitstekende solisten, de fijnzinnige Aler als gemaltraiteerde zwaan voorop. De opname heeft uitstekende allround kwaliteit.

In 1975, verscheen een briljante, verleidelijke en opzwepende uitgave van Previn op EMI die Orffs opus magnus in al zijn exuberantie voorschotelde en van een aanstekelijke uitbundigheid was vervuld. Veel aandacht is besteed aan de ritmische veerkracht. Vooral de drie solisten verrichtten uitstekend werk: Sheila Armstrong klinkt heel verleidelijk in haar liefdesliederen waarin ze expliciet duidelijk maakt dat het over fysiek beleefde liefde gaat; tenor Gerald English en vooral de hier geweldige bariton Thomas Allen klinken ook erg positief. Het jongenskoor geeft blijk van begrip voor de tekst. Hier worden op pantheïstische wijze de geneugten des levens bezongen. De opname heeft nog opvallend grote kwaliteit.

Plasson die zich hinderlijk nadrukkelijk zelf voor de compositie opstelt en zich te buiten gaat aan eigenzinnigheden (meteen het begin is teveel staccato en te weinig pesante), komt tot een omstreden resultaat. Zijn koor produceert soft focus pianissimi en kernachtige fortissimi. Lichtpuntjesvormen de inbreng van de solisten: Nathalie Dessay heel teer en subtiel in ‘Stetit puella’, Lesne en Hampson samen in een heel geslaagd ‘Si puer cum puella’.

Blomstedt moest het in 1990 in San Francisco vooral van de uitstekende, briljante Decca opnametechniek hebben. De precieze klankregie zorgt voor een optimale verstaanbaarheid van de gedeclameerde teksten en orkestrale details (slagwerk!) komen mooi uit de verf.  Het jongenskoor en het gewone koor zingen met hoorbaar plezier en zorgen samen voor passie en energie. Lynne Dawson is een meiske vervuld van sensuele onschuld, Kevin McMillan een karikaturaal zalvende abt en John Daniecki een geleidelijk steeds verder verkleurende zwaan. Geen gebrek aan sfeer.

Voor wat bijzonders zorgde ook Wand met zijn fraai uitgewerkte heldere visie. Vooral het orkestaandeel is bij hem bijzonder fraai met mooi uitkomende soli. De enige misrekening is een te snel “Blanziflor et Helena” koor. De zangers zijn matig, de opname is heel gedetailleerd. Tenslotte haalt ook deze versie de eindronde niet.

Ook Thielemannn overtuigt maar matig. Hij ageert teveel in klassieke geest, mist vaart door nogal trage tempi en boeit alleen in de langzamer, lyrischer momenten Gek genoeg gaat hij haast te verfijnd te werk waardoor hij waar élan mist. Wel overtuigend zijn de solisten: David Kuebler die geen moeite heeft met de hoge tenor tessitura als geroosterde zwaan en in ‘Dies, nox et omnia’, Oelze die sterk herinnert aan Janowitz en die erg puur klinkt in ‘In trutina’ en ‘Dulcissima’. Het meest overtuigt hier echter bariton Simon Keenlyside met zijn briljante, frisse, karakteristieke inbreng.

Erg veel plezier valt te beleven aan hetgeen Charles Dutoit laat horen. De dirigent volgt scrupuleus de aanwijzingen uit de partituur, zonder daarbij pedant te worden zoals Profiterend van een voortreffelijke opnamekwaliteit (de beroemde heldere Saint Eustache sound) worden bij Dutoit details uit de orkestratie en de articulatie heel duidelijk terwijl het totaal ook overeind blijft. De tempokeus lijkt precies juist en de vertolkers bracht hij op dezelfde lijn. Stanford Olsen klinkt als ‘geroosterde zwaan’ passend spookachtig, Beverly Hoch heeft een wat ijle stem, maar fraseert expressief en klinkt in haar ‘in trutina’ solo echt sensueel. Bariton Mark Oswals begint wat zwaarwichtig, maar zingt de baritonsoli met veel aplomb. Alle lof ook voor het koor en het is bijzonder goed dat in nr. 19, het koor “Si puer cum puellula” de solisten duidelijk met het koor meezingen zoals in de partituur wordt gevraagd. Het resultaat klinkt heel geëngageerd en behoort nog steeds tot de mooist klinkende versies.

Bij Simon Rattle gaat het om een compilatie van drie ‘live’ uitvoeringen in Berlijn eind 2004. Mogelijk stimuleerde de aanwezigheid van publiek alle vertolkers tot bijzondere, echt zinderende prestaties. Hoe dan ook er wordt uitermate geconcentreerd en enthousiast gemusiceerd. Rattle zet er meteen vanaf het begin van ‘O Fortuna’ vaart in en ‘In Taberna’ raast ook als een sneltrein voorbij, maar is wel heel pakkend

Uitblinker bij de solisten is Gerhaher als bespottelijke Abbas Cucaniensis. Matthews blinkt uit in de sopraansoli.

Voor wie eens een wat afwijkende vorm wil horen, zijn daar de totaal slagwerk gerichte versie van Killmayer en de tot pianobegeleiding versimpelde manier van Chumachenko.

Van beide dvd’s is de oudere van Eichhorn het beste geslaagd, zeker in de gekozen gevisualiseerde vorm dankzij de regie van Jean-Pierre Ponelle. Het voornaamste decor wordt gevormd door een kerkruïne waarin de zangers in Middeleeuwse kostuums optreden; de handeling heeft soms enigszins surrealistische trekken, een techniek die vooruit lijkt te lopen op de virtuele werkelijkheid van de huidige digitale tijd.

De episode van de geroosterde zwaan wordt door een dronken monnik ingeleid met op de achtergrond een echte zwaan tijdens het roosteren aan het spit. Lucia Popp, ook in M.E.se dracht, klinkt en oogt hoogst bekoorlijk; Hermann Prey torst als bariton de zwaarste last; alle waardering ook voor het koor. De geluidskwaliteit is niet ideaal, maar kan er goed mee door. Interessant is de toevoeging van een lang interview met Orff in het Duits (Engels ondertiteld), verder verlucht met illustraties en foto’s.

 Conclusie

Bij de ouwetjes zijn het vooral Ormandy en Jochum II die nog heel goed meekunnen met de mooisten. Maar het veld wordt in feite met niet te grote onderlinge verschillen feitelijk aangevoerd door Rattle, Blomstedt, Ozawa (Philips), Previn (EMI, niet DG).

 

Discografie

1954. Elisabeth Söderström, Gösta Bäckelin, Set Svanholm met het Stockholms univedrsiteitskoor en het Stockholms filharmonisch orkest o.l.v. Hans Schmidt-Isserstedt. BIS CD 421/4 (8 cd’s).

1955. Rose-Marie Pütz, Barry McDaniel, Michael Cousins, Roland Herrmann met het Tölzer Knabenchor  en koor en orkest van de Keulse omroep o.l.v. Ferdinand Leitner.  Arts 43001-2.

1956. Elfriede Trötschel, Paul Kuen, Hans Braun met koor en orkest van de Beierse omroep o.l.v. Eugen Jochum. DG 445.078-2.

1956. Agnes Giebel, Paul Kuen, Heinz Cordes met kinderkoor en koor en orkest van de Keulse omroep o.l.v. Wolfgang Sawallisch. EMI 764.237-2.

?. Anne Margrethe Dahl, Blazej Grek, Jan Wolanski met het Rubinsstein filharmonisch koor en –orkest o.l.v. Ilya  Stupel. Danacord DACOCD 400.

1960. Janice Harsanyi, Rudolf Petrak, Harve Presnell met het Rutgers universiteitskoor en het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony SBK 47668, SS 6163.

1965. Lucia Popp, Gerhard Unger, Jeremy Noble, Raymond Wolanski met het Wandsworth jongenskoor en het Philharmonia koor en –orkest o.l.v. Rafael Frühbeck de Burgos. EMI 572.156-2, 574.747-2.

1965. Lucia Popp, Gerhard Unger, Raymond Wolanski, Jeremy Noble, het Wandworth school jongenskoor en het Philharmonia koor en –orkest o.l.v. Rafael Frühbeck de Burgos. EMI 574.747-2.

1966. Gerda Harman, Richard Brunner, Rudolf Knoll met het Salzburgs Mozarteum koor en –orkest o.l.v. Kurt Prestel. Belart 450.065-2.

1967. Gundula Janowitz, Gerhard Stolze, Dietrich Fischer-Dieskau met het Schöneberg jongenskoor, koor- en oirkest van de Deutsche Oper Berlijn o.l.v. Eugen Jochum. DG 447.437-2, 474.131-2.

1969. Evelyn Mandac, Stanley Kolk, Sherrill Milnes met het New England conservatorium- en kinderkoor en het Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. RCA 07863-56533-2.

1974. Sheila Armstrong, Gerald English en Thom Allen met het St. Clement Dane’s jongensschoolkoor en het Londens symfonie orkest koor en –orkest o.l.v. André Previn. EMI 747.411-2.

1975. Judith Blegen, Kenneth Riegel, Peter Binder met het Cleveland koor en –orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. Sony 76372.

1976. Norma Burrowes, Lode Devos, John Shirley-Quirk met het Southend jongenskoor,  het Brighton festival koor en het Royal philharmonic orkest o.l.v. Antal Dorati. Decca 460.646-2.

1980. Judith Blegen, Hakan Hagegad en William Brown met het Atlanta jongenskoor en het Atlanta symfonie koor- en orkest o.l.v. Robert Shaw. Telarc CD 80056.

1980. Barbara Hendricks, John Aler, Hakan Hagegard met het St. Pauls kathedraalkoor en het Londens symfonie orkest o.l.v. Eduardo Mata. RCA 74321-17908-2, 09026-63981-2.

1984. Sylvia Greenberg, James Bowman en Stephen Roberts met het jongenskoor van het Staats- en Domkoor Berlijn en het Berlijns Radio symfonie orkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 411.702-2.

1984. Maria Venuti, Ulf Kenklies, Peter Binder met het St. Nicolai jongenskoor Hamburg, het koor van de Nedersaksische opera Hannover en het NDR Omroepkoor en –orkest o.l.v. Günter Wand. Profil Medien PH 05005.

1984. June Anderson, Philip Creech, Bernd Weikl met het Glen Ellyn kinderkoor en het Chicago symfonie koor en –orkest o.l.v. James Levine. DG 415.136-2.

1988. Edita Gruberova, John Aler, Thomas Hampson, het Shin-Yu Kai koor, het Berlijns kathedral jongenskoor en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 464.725-2.

1988. Arleen Auger, John van Kesteren, Jonathan Summers, Southend jongenskoor en Philharmonia koor en –orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 569.868-2, 586.428-2.

1989. Barbara Hendricks, Jeffrey Black en Michael Chance met het St. Alban kathedraal jongenskoor en het Londens filharmonisch koor en –orkest o.l.v. Fran Welser-Möst. EMI 754.054-2.

1989. Eva Jenisová, Vladimir Dolezal, Iván Kusjner met het Dlowaaks omroepkoor en het Omroeporkest Bratislava o.l.v. Stephen Gunzenhauser. Naxos 8.550196.

1989. Venceslava Hruba-Freiberger, Piotr Kusiewicz, Rolf Haverstein met het Krakau filharmonisch koor en –orkest o.l.v. Kryzstov Penderecki. Arts 471772.

1990. .Lynne Dawson, John Daniecki, Kevin McMillan met het San Francisco meisjes- en jongenskoor en het San Francisco symfonie orkest o.l.v. Herbert Blomstedt. Decca 430.509-2.

1992. Sylvia McNair, John Aler, Hakan Hagegard met het St. Louis symfonie koor en –orkest o.l.v. Felix Slatkin. RCA 09026-61673-2.

1992. Sumi Jo, Jochen Kowalski, Bo Skovhus met het Southend jongenskoor en het Londens filharmonisch koor en –orkest o.l.v. Zubin Mehta. Teldec 9031-74886-2, Warner Apex 0927-41377-2.

1993. Lisa Griffith, Ulrich Ress, Thomas Mohr met de Singakademie Frankfurt, het Figuralkoor Frankfurt, kinderkoor Frankfurt en het Koninklijk orkest van Vlaanderen o.l.v. Muhai Tang. Wergo WER 6275-2.

1994. Barbara Bonney, Frank Lopardo, Anthony MIchaels-Moore met de Wiener Sängerknaben, het Schönbergkoor en het Weens filharmonisch orkest o.l.v. André Previn. DG 439.950-2.

1994. Janice Watson, James Bowman, Donald Maxwell met het Highcliffe Juniorkoor, de Waynflete singers en het Bournemouth symfonie orkest o.l.v. David Hill. Virgin 561.510-2.

1994. Elisabeth Vidal, Alexander Stevenson, André Cognet met het Paul Kuentz koor- en orkest en het Brest Conservatorium orkest o.l.v. Paul Kuentz. Pierre Vernay PV 73044.

1994. Nathalie Dessay, Gérard Lesne, Thomas Hampson met het Mid-Pyrenees kinderkoor, Orfeon Donastiarra koor en het Capitole orkest Toulouse o.l.v. Michel Plasson. EMI 555.392-2.

1995. Zdena Kloubová, Vladimir Dolezal, Iván Kusjner met het Kühn gemengd koor, het Praags kinderkoor en het Praags symfonie orkest o.l.v. Gaetano Delogu. Supraphon SU 3160-2.

?.Hei-Kyung Hong, Stanford Olsen, Earle Patriarco met het Atlanta symfonie koor en –orkest o.l.v. David Runnicles. Telarc 80575.

1996. Beverly Hoch, Stanford Olsen, Mark Oswald, Facet kinderkoor en het Montréal symfonie orkest en –koor o.l.v. Charles Dutoit. Decca 456.290-2.

1998. Christiane Oelze, David Kuebler, Simon Keenlyside met het Berlijns kinderkoor en koor en orkest van de Deutsche Opera, Berlijn o.l.v. Christian Thielemann. DG 453.587-2.

2004. Sally Matthews, Lawrence Brownlee en Christian Gerhaher met jongenskoor van het Staats- en Domkoor Berlijn, het Berlijns omroepkoor en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 557.888-2.

2006. Clare Rutter, Thomas Rabdle, Markus Eiche, het Highcliffe junior koor en het Bournemouth symfonie orkest en –koor o.l.v. Marin Alsop. Naxos 857.0033.

 

Arrangement Killmayer

1995. Lena Nordin, Hans Dornbusch, Peter Mattei, Roland Pöntinen, Love Derwinger, Kroumata slagwerkgroep, Uppsala koor, Allmänna Sängen o.l.v. Cecilia Rydinger Alin. BIS CD 734.

 

Transcriptie Chumachenko

1992. Eric Chumachenko. Wergo WER 6217-2.

 

Video

1975. Lucia Popp, John van Kesteren, Hermann Prey met koor en orkest van de Beierse omroep o.l.v. Kurt Eichhorn. RCA 74321-852859 (dvd).

1990. Kathleen Battle, Frank Lopardo, Thomas Allen, het Shin-Yu Kai koor en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 074-3060 (dvd).

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site