| PERGOLESI: STABAT MATER |
| Vergelijkende Discografieen |
|
PERGOLESI: STABAT MATER (DOLOROSA) In 2010 werd de driehonderdste verjaardag van Pergolesi herdacht, dus mogelijk komt een stroom nieuwe opnamen van zijn werken op gang. Het lijkt nuttig om nu al een bestand op te maken van zijn populairste werk, het Stabat mater dat 17 maart 1736 werd voltooid, slechts een paar dagen voor zijn dood. Achtergronden Letterlijk vertaald betekent de tekst van het Stabat mater: ‘de Moeder (van Jezus) stond vol smarten’. Het is de aanhef van een der beroemdste middeleeuws-latijnse kerkliederen, toegeschreven aan Jacopone da Todi (1230-1306). Eventueel ook aan Bonaventura (1217-1274). Onder meer flagellanten zorgden er in de veertiende eeuw voor dat de tekst over het leed van Moeder Maria over de gekruisigde en de op het lijden en sterven van Christus gebaseerde hoop op verlossing van de mensheid wijd werd verbreid. Het gaat om een sequentia uit de r.k. liturgie voor het feest op 15 september van Maria, Moeder der smarten. De tekst, bestaande uit twintig drieregelige in paren gerangschikte strofen van vermoedelijk Franciscaanse oorsprong kwam pas in de vijftiende eeuw in de liturgische boeken. Er zijn verschillende gregoriaanse melodieën bekend, van zowel voor als na de invoering van het Stabat mater als sequentia bij het Feest der zeven Smarten van Maria (1727) De tot 1960 gebruikte gregoriaanse melodieën kwamen pas algemeen in gebruik sinds 1908. Tot de andere componisten die de tekst meerstemmig op muziek zetten behoren naast een aantal anoniem gebleven componisten Josquin des Prez, Palestrina, Caldara, Gazzaniga, Vivaldi, Mayr, Boccherini, Haydn, Rossini, Verdi, Dvorak, Szymanowski, Poulenc, Penderecki en Nystedt. Pergolesi’s werk ontstond pas als zijn laatste of op één na laatste werk uit de laatste maanden van zijn korte leven. Hij verbleef toen in het Franciscaanse monster in Pozzuoli bij Napels en het was duidelijk dat hij niet meer van tuberculose zou genezen. Opdrachtgever was de aristocratie rond de kerk van Santa Maria dei setti dolori in Napels ter vervanging van het Stabat mater van Alessandro Scarlatti dat reeds twintig jaar dienst had gedaan. Qua bezetting en structuur oriënteerde Pergolesi zich nog wel duidelijk op Scarlatti. Wel verandere hij de bouw en de expressieve bandbreedte. In de vorm is de binaire ‘aria da chiesa’ overheersend waardoor recitatieven voor de overgangen konden worden vermeden. Uitzonderingen zijn vooral de duetten ‘Quis est homo qui non fleret’ en ‘Sancta Mater, istud agas’ (dat in driedelige liedvorm is). Andere uitzonderingen vormen ‘Fac ut ardeat cor meum’ en het afsluitende Amen als vrije fugati. Volgens de traditie (en de overlevering) werd het werk besteld door de ridderorde van de Arciconfraternita dei Cavalieri della Vergine dei Dolori in Napels om iedere vrijdag in maart in de Franciscanerkerk in Napels te worden uitgevoerd. Mogelijk ook was de opdrachtgever Marzio IV Carafa, hertog van Maddaloni bij wie Pergolesi zijn laatste twee levensjaren in dienst was. Het handschrift van de partituur wordt bewaard in de bibliotheek van de abdij in Montcassino. Net zoals het leven en de muziek van Pergolesi het onderwerp zijn geweest van legendevorm en verkeerde toeschrijvingen, is het Stabat mater onderwerp geweest van allerlei uitvoeringspraktijken. Dat gaat van royale romantische orkestraties to de opvatting dat het werk bestemd is voor een tweestemmig koor. In de periode 1939/42 werden in het in Rome verschenen Opera omnia van de enthousiaste amateur hertog Filippo Cafarelli148 werken van Pergolesi genoemd. Daarvan berusten er 69 op verkeerde toeschrijvingen, 49 zijn twijfelachtig en slechts dertig zouden echt kunnen zijn. Rousseau noemde de beginmaten het werk in 1754 als ‘het volmaakste en ontroerendste dat ooit uit de pen van een musicus kwam’ en Chales de Brosses omschreef het tijdens een reis door Italië in 1739 als ‘Hèt meesterwerk van de Latijnse muziek’ en baseerde die mening op ‘de prachtige harmonie’. Levend op de grens van de laatbarok en het vroege classicisme lijkt het bijzondere harmonische taalgebruik van Pergolesi hier inderdaad zijn tijd vooruit met zijn bijzondere chromatiek die een bitterzoet soort gevoelige expressie aan de muziek verleent. Dat het werk ook ondanks zijn sombere inhoud trekken van de opera vertoont, zoals in het zwierige ‘Quae moerbat’, de veerkrachtige syncopen van ‘Inflammatus et accensus’ of het krachtige fugatische alla breve middenin ‘Fac ut ardeat’. Ook is er geen gebrek aan woordschildering, zoals in ‘morientem, desolatum’ en een dramatische dissonant in ‘Fac ut portem Christi mortem’. Maar overheersend is de sfeer van een smeekbede op basis van uiterst tere melodieën. Het werk had een haast sensationeel succes en verscheen herhaaldelijk in druk. Gedurende de hele achttiende eeuw oefende het Stabat mater grote invloed uit op de sacrale muziek. Het beste voorbeeld hiervan is het motet Tilge, Höchster, meine Sünden BWV 1083 voor sopraan, alt, strijkers en continuo van Bach uit 1744/7 (te horen van Oelze, Remmert, Stuttgarts Bachcollegium onder Rilling op Hännsler 92073 of met altus van Boog, Chance, het Bathasar-Neumann ensemble o.l.v. Thomas Hengelbrock op Duitse Harmonia Mundi 05472-77508-2). Het gaat daarbij om een dichterlijke versie van Psalm 51, het Miserere. Andere componisten gebruikten het werk als muzikaal kader: Hiller gebruikte het voor een gedicht van Klopstock, in Londen verscheen een versie als ode van Pope, Salieri bood een ander alternatief en in 1831 verscheen een uitgave voor groot orkest, inclusief trompetten, trombones en pauken. Zelfs nu nog zijn dergelijke overdrijvingen te horen. Maar Pergolesi schreef het stuk echt voor louter twee solostemmen. Hoe dit alles ook zij: het Stabat mater is het onbetwiste meesterwerk van Pergolesi. De bijzondere middeleeuwse tekst over het lijden van Maria aan de voet van het kruis moet hem enorm hebben geïnspireerd. Let alleen maar op het royale gebruik van pauzes en dissonanten. Dat het werk iets van een miniatuuropera heeft, komt onder meer ook omdat hij geen koor gebruikt en de tekst meteen uitsluitend aan solostemmen toevertrouwd. Elk van de twaalf gedeelten is of aan de sopraan of aan de alt gegeven of aan beiden in een duet. De muziek is zeer gevarieerd, gegeven het feit dat het hier om een geheel treurige tekst gaat. De opnamen Bij de opnamen blijkt dat het werk in allerlei vormen te verkrijgen is: met jongenssopraan (bij Jacobs), met mannenalt (de meest vooraanstaanden Chance, Blaze of Kowalski), met een of twee sopranen ter wille van meer kleurverschil, met strijkkwartet of kamerorkest, met ‘oude’ of ‘nieuwe’ instrumenten. Maar laten we hier prioriteit geven aan die uitvoeringen die simpelweg het mooist de geest van het werk ademen. Zoals helaas meestal bij het soort totale opsommingen van hieronder stond niet alle moois ter beschikking. Maar er bleef genoeg om een verantwoorde keur te maken. Een ander segment is soms helaas uit de catalogi en daarmee uit de winkels verdwenen. Geleidelijk aan lijkt nog weer een andere categorie alleen kan worden gedownload. Of we met die ontwikkeling blij moeten zijn? In vroegere uitvoeringen werd het Stabat mater steevast overgeromantiseerd, gesentimentaliseerd en opgeblazen met twee operazangeressen, een koor en een royaal bezet orkest. Tenzij men nog gebrand is om Ferrier te horen, vallen de oudere opnamen tot begin jaren zeventig snel af. Het gaat meestal om nu niet meer geaccepteerde herorkestraties en een te zoetelijke stijl. Abbado nam als Italiaan het werk tweemaal op, eerst in 1984 in Londen voor DG, recentelijk in Italië voor Archiv nadat hij zich nader in de vertolkingswijze van oude muziek had verdiept. Gek genoeg is de oudere versie de betere. Waarom? In Londen heerste een mate van intensiteit en overgave die nog steeds haast uniek is bovendien zonder dat aan de religieuze achtergrond tekort wordt gedaan. Vergeleken daarmee is de sfeer in de nieuwere opname dermate onderkoeld en afstandelijk dat alle sfeer en karakter haast verloren zijn gegaan. Alleen Mingardo met haar markante laagste stemregister stijgt bij vlagen boven de heersende braafheid uit. Dat deed ze ook in haar uitvoering met Alessandrini met zijn neigingen als beeldenstormer. Hij neemt het begindeel uiterst traag, maar het valt nog net niet uiteen. Verder verloopt de vertolking goed. Jammer dat de violen vaak wat krassering klinken, waarschijnlijk wilde de dirigent het zo. Aan typisch ingehouden drama en pathetiek, kortom italianatà geen gebrek. Mingardo is geweldig en alleen om haar verdient de cd aanbeveling. De uitvoering van Muti is zowel op dvd als op cd verkrijgbaar. Kies liefst de dvd vorm want die heeft meer te bieden in de vorm van de prachtig passendee entourage van het Santuario della Beata Vergine del Miracoli in Saronno. Op de prestaties van de zangeressen Frittoli en Antonacci valt niets aan te merken: een ideaal klinkend koppel met de juiste expressievorm. Dat Muti een uitgedund Scala orkest gebruikt kan eigenlijk niet meer in deze tijd, maar ala. Beter is de cameravoering, handig zijn de ondertitels in verschillende talen. Als bonus een vrij lang exposé over de historische ontwikkeling van de Italiaanse muziek. De cd versie klinkt in menig opzicht verouderd en raakt op het tweede of zelfs derde plan. Komen we bij de verklankingen met sopraan en mannenalt. Voor een eerder naar de barok verwijzende zienswijze zijn Kirkby, Bowman en Hogwood de vrijwel ideale partners. Ze doen weinig tekort aan het sensuele karakter van de muziek, fraseren effectief en verwerken de versieringen gracieus. Andreas Scholl en Barbara Bonney behoorden tot de gevierdste zangers uit een recent verleden en hun heldere, duidelijke stemmen combineren goed. Bonney is het expressiefst, logisch. Rousset had de teugels van het ensemble wat strakker mogen houden, maar het ontbreekt hier niet aan ook wenselijk drama. Op het punt van uitdrukkingsvermogen scoren Dorothea Röschmann en David Daniels hoog, mogelijk tot het duidelijk uiten van gevoelens door de van levendigheid en contrast houdende dirigent Fabio Biondi. Eveneens goed kwijt het koppel Gillian Fisher en Michael Chance zich van alle taken, maar een soort voorname Engelse terughoudendheid ontneemt hun interpretatie van nogal wat gewenste expressie, waarvoor King de verantwoordelijkheid draagt. In 2010 verschenen ter gelegenheid van het Pergolesijaar nog enige opnamen. Het recente drietal gooit interpretatief heel hoge ogen en schudt de kaarten opnieuw. Wie de voorkeur heeft aan een countertenor treft in Robin Blaze op Channel Classics een vrijwel ideale vertolker, getuige zijn levendige aanpak van ‘Quae morebat’. Maar ook de onbekende sopraan Elin Manahan Thomas en het Florilegium ensemble zorgen voor een heel stijlvolle, authentieke en vooral heel fraai gefraseerde uitvoering vol afwisselende momenten van spanning en ontspanning. Niet minder authentiek, maar in detail toch wat anders, wat feller is de uitvoering door het Berlijnse team rond Anna Prohaska en Bernarda Fink die met haar warme mezzo heel fraai haar partij inkleurt en bij mensen die lichtelijk allergisch zijn voor het geluid van counter tenors voor een goed alternatief zorgt. En dan is er de voorlopig nieuwste opname uit Rome van Pappano, haast altijd goed voor geïnspireerde topprestaties. Op papier mag Anna Netrebko een wat onwaarschijnlijke keuze lijken voor de sopraanpartij in dit werk, net zomin als het Santa Cecilia orkest primair vertrouwd is met pre-romantische muziek. En toch: na grondige voorbereiding door de concertmeester van het Orchestre des Champs-Elysées voltrekt zich hier haast een wonder want niet alleen ontstond een van de meest stijlvolle uitvoeringen, zelden ook zijn in een opname de beide stemmen zo fraai gemengd. De muziek klinkt buitengewoon sfeervol en geladen met de juiste expressie, er is ook sprake van een prachtige homogeniteit. Hier is het juist ook de geëngageerde inbreng van het orkest die de aandacht vraagt. Netrebko levert hier haast onverwacht een van haar mooiste interpretaties ooit af. Conclusie Probeer om te beginnen liefst de oudere opname van Abbado. Maar kom daarna liefst uit bij, het warmbloedige drama van Rousset, de spiritualiteit van Biondi, de tegenoverstelling van doorleefde emotie en kleinschaligheid van Alessandrini of de intieme schoonheid van King en de treffende aanpak van Solomon. Maar kom tenslotte uit bij de sublimatie van al het voorgaande door Pappano en de zijnen. De beide dvd video opnamen doen kwalitatief niet erg voor elkaar onder. Discografie 1946 Joan Taylor en Kathleen Ferrier met het Boyd Neel orkest o.l.v. Roy Henderson. Decca 433.470-2. 1964 Judith Raskin en Maureenn Lehane met het Rossini orkest, Napels o.l.v. Franco Caracciolo. Decca 455.017-2 (2 cd’s). 1972. Mirella Freni en Teresa Berganza met het Scarlatti orkest Napels o.l.v. Ettore Gracis. Archiv 427.123-2. 1976. Barbara Fritolli, Anna Caterina Antonacci met het Scala filharmonisch orkest o.l.v. Riccardi Muti. EMI 556.174-2. 1981. Magda Kalmár en Julia Hamari met het koor van de Hongaarse omroep en het Franz Liszt kamerorkest o.l.v. Lamberto Gardelli. Hungaroton HCD 12201. 1981. Cecilia Gasdia en Dolores Ziegler met I solisti Veneti o.l.v. Claudio Scimone. Warner 8573-81276-2. 1984. Margaret Marshall en Lucia Valentini Terrani met het Londens symfonie orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 415.103-3. 1987. Gillian Fisher en Michael Chance met Kings consort o.l.v. Robert King. Hyperion CDA 66294. 1989. Emma Kirkby en James Bowman met de Academy of ancient music o.l.v. Christopher Hogwood. Oiseau Lyre 425.692-2. 1992. June Anderson en Cecilia Bartoli met Sinfonietta de Montréal o.l.v. Charles Dutoit. Decca 436.209-2. 1992. Jochen Kowalski met het C.P.E. Bach kamerorkest o.l.v. Rolf Reuter. Berlin Classics BR 93822. 1992. Oleg Ryabets en Vyacheslav Kagan-Palei met het Vivaldi kamerorkest o.l.v. Svetlana Bezrodnaya. Olympia OCD 583. 1993. Regina Klepper en Martina Borst met het Bamberg kwartet o.l.v. Berthold Hops. Capriccio 10517. 1994. Julie Faulkner en Anna Gonda met Boedapest Camerata o.l.v. Michael Halálsz. Naxos 8.550766. 1994. Felicity Palmer, Anne Hodgson, koor van St. Johns College en Argo kamerorkest o.l.v. George Guest. Decca 443.868-2. 1995. Stefanie Kopinits en Gabriela Bessenye met het Europees symfonie orkest o.l.v. Wolfgang Gröhs. Arte Nova 74321-34039-2 1997. Paola Antonucci en Rosanna Mancarella met het Marchano filharmonisch orkest o.l.v. Gustav Kuhn. Arte Nova 74321-65420-2. 1997. Véronique Gens en Gérard Lesne met Il seminario musicale. Virgin 545.291-2. 1998. Barbara Bonney, Andreas Scholl met Les talens lyriques o.l.v. Christophe Rousset. Decca 466.134-2. 2003. Gemma Bertagnolli en Sara Mingardo met Concerto italiano o.l.v. Rinaldo Alessandrini. Naïve OP 30406, Opus 111 3306. 2006 Karin ten Cate en Marie Cecillia Toledo en Loes Visser met Slowaaks sinfonietta. Rob Groen 15 jaar. 2008. Dorothea Röschmann en David Daniels met Europa galante o.l.v. Fabio Bondi. Virgin 363.340-2. 2009. Rachel Harnisch, Julia Kleiter en Sara Mingardo met het Mozartorkest o.l.v. Claudio Abbado. Archiv 477.8077. 2009 Elin Manahan en Robin Blaze met Florilegium o.l.v. Ashley Solomon. Channel Classics CCSSA 29810. 2010 Anna Prohaska en Bernarda Fink met de Akademie für alte Musik, Berlijn o.l.v. Bernhard Forck. Harmonia Mundi HMC 90.2072. 2010 Anna Netrebko, Marianna Pizzolato met het Orkest van de Santa Cecilia academie, Rome, o.l.v. Antonio Pappano. DG 477.9337. Zonder bekende opnamedatum …..Mieke van der Sluis en Gérard Lesne met het Clemencic consort o.l.v. René Clemencic. Accord22066-2. …. . Sebastian Hennig met Concerto vocale Gent o.l.v. René Jacobs. Harmonia Mundi HMA 195.1119. …… . Margaret Marshall en Anne Hodgson met het Kamerorkest Mainz o.l.v. Günther Kehr. Vox 115.843-2. …. . J. Wachinski en Michael Chance met het Keuls kamerorkest o.l.v. Helmut Müller-Brühl. Naxos 8557447. Orkestratie K. Scott 1946. John Taylor en Kathleen Ferrier met het Oriana koor Nottingham en het Boyd Neel orkest o.l.v. Roy Henderson. Decca 433.470-2. Video 1976. Barbara Fritolli, Anna Caterina Antonacci met het Scala filharmonisch orkest o.l.v. Riccardi Muti. EMI 599.404-9.1111. 1979 Katia Ricciarelli, Lucia Valentini-Serrani met het Orkest van La Scala, Milaan o.l.v. Claudio Abbado. Medici Arts 207237-8 (dvd). |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
