| RAMEAU: CASTOR ET POLLUX |
|
RAMEAU: CASTOR ET POLLUX Castor et Pollux was de tweede tragédie en musique van Rameau. De eerste uitvoering van het werk vond in oktober 1737 plaats, maar wekte slechts matig enthousiasme. Pas na een grondige herziening uit 1754 kreeg het werk de populariteit die het verdient. Achtergronden Rameau’s opera’s voldoen aan het algemene patroon dat heerst in Lully’s tragédies lyriques: ze bestaan uit vijf aktes, voorafgegaan door een ouverture en een didactische proloog. In iedere akte is een uitgebreid divertissement ingelast waarin niet alleen wordt gedanst, maar waarin ook spectaculaire scenische taferelen voorkomen. De onderlinge muzikale verschillen zijn bij Lully en Rameau echter dusdanig groot, dat het publiek destijds haast was gedwongen om de kant van Lully of juist die van Rameu te kiezen. Om te beginnen is de orkestratie bij Rameau veel verbeeldingsvoller; hij gebruikte verschillende instrumentale combinaties om specifieke descriptieve effecten te bewerkstelligen, zoals bijvoorbeeld de stormscène en het zonovergoten naspel daarvan in de vijfde akte. Het waren in feite ook juist die beeldende effecten die gedurende zijn leven haast het meest werden bewonderd. Daarnaast waren zijn harmonieën veel rijker en gedurfder dan bij Lully en een bepaald moment uit Hippolyte et Aricie werd destijds zo bizar en kakofonisch gevonden dat Rameau het na de eerste opvoering moest schrappen. Met gegronde redenen kan Castor et Pollux worden beschouwd als Rameau’s ware meesterwerk op operagebied. Toch werd het stuk bij de première in oktober 1737 niet met veel geestdrift ontvangen. Pas veel later, in 1754, herzag Rameau het werk vrij drastisch en bracht hij de nodige coupures aan. De proloog werd bijvoorbeeld geschrapt, de eerste akte werd opnieuw beknopter vormgegeven en over de hele linie werd de dramatische structuur aangescherpt. Het libretto van Pierre-Joseph Bernard is gebaseerd op het klassieke verhaal over twee halfbroers, de ene sterflijk (Castor, tenor), de andere (Pollux, bariton) niet als zoon van Jupiter. Wanneer Castor sterft en Pollux zijn vader om hulp en bemiddeling vraagt, staat Jupiter toe dat Castor weer in het leven terugkeert op voorwaarde dat Pollux zijn plaats in de Hades inneemt.Het is een simpele geschiedenis over broederliefde en loyaliteit, een geschiedenis die wordt bemoeilijkt door het feit dat Pollux hevig verliefd is op de verloofde van Castor: Télaîre, maar juist niet verliefd is op de vrouw die zoveel van hem houdt: Phoebe. Rameau omkleedt dit verhaal over de ‘hemelse tweeling’ met een buitengewoon rijke en geschakeerde muziek en hij plaatst vaak zeer contrasterende momenten tegenover elkaar, zoals bijvoorbeeld wanneer Télaîre’s ontroerend tere klacht bij de dood van Castor in de eerste akte (‘Tristes apprêts, pâles flambeaux’) onmiddellijk wordt gevolgd door de oorlogsmuziek die de komst van Pollux aankondigt. De opnamen Het aantal complete opnamen is overzichtelijk, want beperkt. Extra beperkt omdat de Naxos uitgave niet ter beschikking was. Maar het wel beschikbare is des te interessanter omdat het is gebaseerd op drie verschillende versies. Het volledigst is de uitgave van Christie die het werk volledig in zijn originele gedaante (1737) aanbiedt. Vandaar dat hij ook een derde cd nodig heeft. Maar in dramatisch opzicht heeft deze vertolking het nadeel dat beide broers haast te goed zijn om geloofwaardig te zijn. Een handicap die wordt versterkt omdat Howard Crook wat waterig klinkt als Castor. De grote kracht schuilt in de inbreng van de vrouwen. Het meeste indruk maakt Agnès Mellon in de lastige rol van Télaîre. Alle lof ook voor de prachtige, sfeervolle inbreng van het orkest en dirigent Christie. Hoogtepunten zijn zo de ouverture en de scène in de Hades geworden. Oorspronkelijk ging deze productie tijdens het Festival van Aix-en-Provence in 1991, de opname werd een jaar later in de studio gemaakt. Farncombe en de zijnen gebruiken de herziene versie 1754. Peter Jeffes en Philippe Huttenlocher vormen zingend/acterend een voortreffelijk broederpaar en overtuigen ook met hun intelligente aanpak en met de gevoelens die ze opwekken. Maar eigenlijk doen de dames uit de onderhavige bezetting niet veel voor hen onder. Het begeleidend orkest mist het persoonlijke karakter van dat van Christie, maar het speelt wel met veel panache. Frisch biedt een derde optie. Ook hij houdt dus de versie 1754 aan, maar reduceert het aantal musici danig door uit te gaan van een mogelijkheid die de componist bood om het werk in kleine bezetting in bijvoorbeeld salons, in elk geval niet in het theater op te voeren. Daarvoor is – helaas – de kleurige orkestratie teruggebracht tot een instrumentaal ensemble van zes instrumenten: 2 violen, cello, fluit, hobo, fagot plus een klavecimbel. Winstpunt is wel dat hier meer de nadruk ligt op het aandeel van de blazers dan bij de volle orkestratie. Op Paul McCreesh-achtige wijze bestaat ook het koor slechts uit de gezamenlijke solisten. Interessant voor een keer, maar toch tamelijk beperkend en geen recht doende aan Rameau’s ware intenties. Dat gezegd hebbende, is de uitvoering best heel mooi en genietbaar binnen die beperkingen. De instrumentalisten zijn voortreffelijk; ze geven vooral de dansen veel zwier en cachet met puntige ritmen. Met bescheiden middelen wordt ook veel drama verleend aan de oorlogsscène aan het eind van de eerste akte. De rol van Castor, gezongen door Christophe Einhorn komt het mooiste uit de verf, de Pollux van Corréas heeft minder nuancen tot zijn beschikking dan bij Christie waar hij die rol ook vertolkte en al niet geheel overtuigde. Cyrille Gerstenhaber ontroert in haar grote aria uit de tweede akte maar is verder geen partij voor Jennifer Smith bij Farncombe als Télaîre. Interessant is wel dat het hele werk in de lage stemming (A=392) wordt uitgevoerd. De opname die werd gemaakt tijdens uitvoeringen in de Ferme du Buisson in het Franse Noisiel heeft als probleem dat de balans tussen de zangstemmen niet steeds over gelukkig is. Conclusie Een in alle opzichten ideale opname van deze opera is er (nog) niet. Met zekere beperkingen is het meest te zeggen voor de uitgave van Christie van het volledige origineel, maar de latere versie van Farncombe overtuigt als geheel haast nog meer. De Auvidis opname is eigenlijk alleen voor een enkele keer echt de moeite waard. Discografie 1982. Peter Jeffes, Philippe Huttenlocher, Jennifer Smith, Cynthia Buchan, e.a. met het koor en orkest van het Engels Bachfestival o.l.v. Charles Farncombe. Erato 4509-95311-2 (2 cd’s). 1992. Howard Crook, Jerôme Corréas, Agnès Mellon, Véronique Gens, René Schirrer, Sandrine Piau, Mark Padmore, Claire Brua, Sophie Daneman e.a. met Les arts florissants o.l.v. William Christie. Harmonia Mundi HMC 90.1435/7 (3 cd’s). ……. Colin Ainsworth, Joshua Hopkins, Meredith Hall, Monica Whicher, Giles Tomkins, Joey Niceforo, Renée Winick, Brian McMillan met het Aradia ensemble en Opera in concert o.l.v. Kevin Mallon. Naxos 8.66018/9 (2 cd’s). 1997. Christophe Einhorn, Jérôme Correas, Cyrille Gerstenhaber, Brigitte Vinson, Claudine Le Coz, Philippe Cantor, Serge Goubioud, Sandrine Rondot e.a. met Musique des lumières o.l.v. Jean-Christophe Frisch. Auvidis Astrée E 8624 (2 cd’s). |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
