SCHÖNBERG: GURRELIEDER

SCHÖNBERG: GURRELIEDER

 

Wie bij het horen van de naam Schönberg onmiddellijk denkt aan ‘dode kakofonie’, aan moeilijk genietbare twaalftoonsmuziek, aan muzikale dwangbuizen, doet de componist grof onrecht. Hij begon namelijk ooit opgelegd romantisch met een hypermonumentaal werk, dat aan het begin van de negentiende eeuw helemaal de trend volgde. Een x-voudig forte maakt tegenwoordig weinig indruk meer, maar de Gurrelieder (naar een middeleeuwse liefdesgeschiedenis) bevatten ook breed uitgemeten teerheden. 

Achtergronden

De uitwaaierende cantate met trekken van een oratorium, een liederencyclus en een symfonisch gedicht kan worden gezien als directe afstammeling van het Wagneriaanse muziekdrama. Schönberg begon in 1899 aan het werk dat de zonsondergang van de laatromantiek mede markeert, in hetzelfde jaar dat zijn Verklärte Nacht ontstond. Maar hij stelde de voltooiing ruim tien jaar uit en intussen waren al enige van zijn innovatieve stukken ontstaan. Dit werk echter eindigt nog met een stralend akkoord in C.Geen wonder dat de betrekkelijk vroege Gurrelieder naast Pelleas und Melisande en Verklärte Nacht tot Schönbergs populairste werken behoort. Dat heeft ook te maken met de hypermonumentaliteit die begin twintigste eeuw mede dankzij Mahler een trend was van het werk. De componist doet een beroep op een gigantisch uitvoerend apparaat, dat wanneer aan al zijn verlangens wordt voldaan een kleine achthonderd deelnemers vergt zoals dat bij de introductie in 1913 het geval was. Mahlers Achtste, de Sinfonie der Tausend en Brian Havergals Gothic symphony vallen er haast bij in het niet. Tegenwoordig moet men welhaast met een minder gigantische bezetting werken. Met 48 notenbalken boven elkaar ziet de partituur er werkelijk grootschalig uit.Het werk blaast de luisteraar soms met verpletterende klankerupties uit zijn stoel, maar kent ook uitgestrekte tere gedeelten. Voor dat alles is een ware heerschaar aan uitvoerenden nodig: minstens tachtig strijkers, vier koren, vijf solisten, een verteller, twee dozijn houtblazers waaronder acht fluiten, vier piccolo’s tien hoorns, zeven trombones, vijf tuba’s, vier harpen, ten minste zes slagwerkers en stalen kettingen en dat is nog niet alles.Haast symbolisch begon Schönberg in 1900 aan het werk, maar het was pas in 1911 klaar Toen het werk in 1913 voor het eerst onder Franz Schreker werd uitgevoerd, waren publiek en pers verbaasd over zoveel weelderig expressionisme van een componist die juist altijd alles waarvoor deze Gurrelieder staan had verworpen.Gebaseerd op een gedicht van de Deense romanticus Jens Peter Jacobsen wordt in het negentig minuten vergende werk de liefde tussen koning Waldemar en Tove, de kasteelvrouwe van Gurre bezongen. De handeling speelt in de 14e eeuw en deze geschiedenis zou Wagner zeer hebben aangesproken. Geen wonder misschien dat de partituur ook veel is verschuldigd aan Wagner – men denke met name aan Tristan und Isolde – en aan Richard Strauss. Die gedachte krijgt vooral vorm bij het horen van het lange liefdesduet van Waldemar en Tove uit het eerste deel, telkens na ieder couplet onderbroken door orkestraal commentaar en gevolgd door de moord op Tove en een klacht over haar die door de woudduif wordt gezongen. In deel II vervloekt Waldemar zijn tragisch lot, maar in deel III wordt de sfeer weer vredig dankzij een groot opgezet pantheïstisch koor. 

De opnamen

“Elke ochtend na zonsopgang zou koning Waldemar de verjongende kracht van de natuur opnieuw beseffen en zou hij zijn liefde voor Tove bekrachtigd zien binnen de uiterlijke schoonheid van de kleuren en vormen der natuur”, zei Leopold Stokowski die in april 1932 in Philadelphia de allereerste live opname van dit werk maakte. Het moet een gebeurtenis van formaat zijn geweest die nu terecht het predikaat ‘legendarisch’ verdient. Door de vrij povere, maar zo goed mogelijk gerestaureerde klanken heen proeft men een elektriserende sfeer; het ontbreekt niet aan impact. Beluister de verpletterende climaxen (een der pakkendste komt na 1’27” in track 6 op de vierde cd). De dirigent zelf geeft een charmante, maar vrij simplistische inleiding en tot de solisten behoren beroemdheden van destijds als de net overleden Rose Bampton en de in Los Angeles geboren sopraan van Nederlandse afkomst Jeannette Vreeland (1896). De verteller aan het eind van het werk is Benjamin de Loache die ook het gedicht The Raven van Edgar Allen Poe declameert in Dubensky’s gelijknamige melodrama met echo’s van Tsjajkovski’s Vijfde; een soort geluidsequivalent van een oude film van Belá Lugosi.De DG lp-opname van Rafael Kubelik is later op cd heruitgebracht, maar was niet beschikbaar. Datzelfde geldt helaas voor de Hänssler uitgave van Michael Gielen. Ook ontbreekt de vrij vroege opname van René Leibowitz op het appèl.De ster van de Deense uitvoering onder Ferencsik is uiteraard Janet Baker als Waldtaube. Maar de overige solisten zijn ook heel competent en het koor levert heel vitale bijdragen. Maar het grote succes van deze onbekende opname is toch vooral te danken aan de dynamische leiding van Ferencsik die zowel de lyrische als de dramatische aspecten van het werk alle recht doet. De opname klinkt sfeervol en rijk aan details.Pierre Boulez streeft op de van hem vertrouwde manier vooral naar uiterste helderheid en detailtekening wat in een massaal werk als dit deugdzaam is, maar hij schenkt ook veel aandacht aan de warme, expressieve kanten van de muziek. Hij gaat zelfs zover dat hij het stuk in de richting van de opera trekt en een semi-Wagneriaans aanzien geeft. Marita Napier (Tove) en Jess Thomas (Waldemar) leveren in de hoofdrollen stoere, uitdagende bijdragen en Yvonne Minton blinkt uit als Waldtaube. De opnamekwaliteit is niet bijzonder, maar kan er nog best mee door.Voor het aanzetten van zware dramatiek was Seiji Ozawa nooit de ideale dirigent maar ook hij verrast hier net zo als Boulez met een weelderig klinkende vertolking waarin vooral Jessye Norman als Tove schittert met haar rijke stem. Bij de overige solisten treft natuurlijk vooral de Waldtaube van Tatiana Troyanos. Maar het is hier vooral het Tanglewood koor dat imponeert In 1979 won deze opname diverse prijzen en nog steeds behoort hij tot de beste al is de opnamekwaliteit niet meer optimaal naar de eisen van nu, wat enigszins statusverlagend werkt.Siegfried Jerusalem zong de rol van Waldemar tweemaal op cd, eerst bij Chailly, daarna bij Abbado. Hij ontwikkelde zijn rolopvatting in de tussenliggende jaren van een vrij strakke interpretatie tot een meer vrije. Bij Chailly is de hele bezetting trouwens duidelijk onderworpen aan het straffe regiem van de dirigent. Daar is niets mis mee trouwens. Chailly vat het werk terecht groots, dramatisch en theatraal op en hij beschikt over puike solisten. Susan Dunn heeft als Tove het voordeel van jaar jeugd aan haar kant, ze klinkt fris en puur. Siegfried Jerusalem heeft als Waldemar een paar moeilijke momenten, maar er zijn niet veel andere tenoren die zo heroïsch naar voren komen en zo expressief zijn. Maar de troefkaarten van Decca zijn de onovertroffen Waldtaube van Brigitte Fassbänder en de unieke Hans Hotter als spreker in ‘De wilde jacht van de zomerwind’. Iedere lettergreep krijgt betekenis en klinkt geanimeerd in de opwinding van de naderende zonsopgang.Herbert Kegel mobiliseerde alle krachten voor zijn opname en het enorme koor en het fiks aangevulde orkest produceren een enorme hoeveelheid geluid. Gelukkig is het de dirigent en de opnamemensen gelukt om weinig detail verloren te laten gaan. In de rol van Tove is Eva-Maria Bundschuh werkelijk voortreffelijk (probeer haar aandeel in het eerste deel: ‘Roß, mein Roß!’, ‘So tanzen die Engel’, ‘Es ist Mitternachtzeit’ en ‘Du sendest mir einen Liebesblick’). Rosemarie Lang lijkt wat te licht als Waldtaube, maar ze zingt wel heel welsprekend. Cold overtuigt matig als Boer, maar Appel is een puike Klaus-Narr. De enige teleurstelling komt van Manfred Jung die niet over een erg innemende tenor beschikt als Waldemar. De tempi zijn aan de langzame kant: hij heeft 20 minuten meer nodig dan Chailly en 8 meer dan Sinopoli. Dat heeft invloed en maakt dat de muziek nogal traag stroomt.De Denon opname van Eliahu Inbal is niet meer beschikbaar, maar is wel verkrijgbaar op het label Brilliant Classsics (nr. 8165). Belangrijk en interessant is deze interpretatie vooral dankzij  fraaie Waldtaube van Jard van Nes. Paul Frey is een wat te neutrale Waldemar, Elisabeth Connell een niet geweldig dramatiusch acterende Tove. De boer van Walton Grönroos en de Klaus-Narr van Volker Vogel kunnen er goed mee door. Hans Franzen ‘vertelt’ inderdaad fraai, maar kan niet tippen aan een Hans Hotter of Ernst Häfliger. Het aandeel van koor en orkest is vooral gedegen. In Frankfurts Alte Oper wisten de technici die daar met Inbal ook de Mahlersymfonieën opnamen goed raad met de grote klankmassa’s.Claudio Abbado ging vergeleken met Chailly en Rattle soberder te werk en onderstreepte vooral de expressionistische trekken in de muziek. Hier klinkt het werk heel suggestief en verbeeldingsvol met verstilde magische momenten en grote dramatische intensiteit in flexibele tempi. Sharon Sweet heeft als Tove een nogal hinderlijk vibrato, maar zingt wel kernachtig. De Waldtaube van Marjana Lipovsek is heel treffend en vergelijkbaar met die andere, voortreffelijke van Fassbänder. Hartmut Welker is een stoere, maar wat ongelijkmatige boer, Philip Langridge een puike, ideaal agerende Klaus-Narr. De enige vreemde eend in deze bijt is de markante Barbara Sukova als uit Pierrot lunaire verdwaalde spreekster.Giuseppe Sinopoli imponeert met een macht aan uitvoerenden door de pure weelderigheid en sensualiteit van zijn live realisatie in Dresden niet lang voor zijn dood. Soms doseert hij dat haast te overvloedig en is hij te gul met rubati. Deborah Voigt is een vooral heel krachtige, stoere Tove, maar heeft moeite met de expressiever kanten van haar rol. Thomas Moser imponeert hier minder dan bij Rattle en Jennifer Larmore is een vooral heldere Waldtaube, best dramatisch, maar niet erg ontroerend en haar snelle vibrato gaat storen op den duur. De acteur Brandauer toont als spreker esprit en karakter. Het koor speelt soms een haast te dominante rol en de wat trage tempi (Sinopoli heeft 113’ nodig) komen de lange reeks liefdesliederen in het eerste deel niet ten goede. Hoewel hij over merendeels goede solisten – voorop Deborah Voigt en de hooguit wat te Wagneriaanse Thomas Moser – beschikt, overtuigt hij in laatste instantie met zijn eenzijdige aanpak bij zoveel hoogwaardige concurrentie wat minder.Terwijl Simon Rattles opnamen uit Birmingham een vrij consistent hoog niveau hadden, zijn de resultaten die hij in Berlijn bereikt nogal wisselend. Maar in het geval van Schönberg weet hij sterk te overtuigen. Beschikkend over een stel superieure solisten en dito orkest is een deel van het pleit a priori al gewonnen. Daar komt bij dat de opnamekwaliteit bijzonder mooi is, helder doortekend. Rattle is hier wars van bombast en pakt met het ensemble niet gewelddadig uit, hij laat ook de kamermuzikale kanten mooi uitkomen. De Tove van Karita Mattila heeft etherische kwaliteiten. Als Waldemar toont Thomas Moser zich van een heel veelzijdige kant; hij belicht de lyrische en dramatische kanten van zijn rol heel fraai, beschikt over een heel mooi laag en komt beter tot zijn recht dan bij Sinopoli. Helemaal overtuigend als Waldtaube is Anne Sofie von Otter niet. Ze overtuigt het beste in de expressieve, rustige momenten, minder in de fel dramatische uitingen. Philip Langridge is net als bij Abbado een virtuoze, goed acterende Klaus-Narr en Thomas Quasthoff zowel een geloofwaardige boer als een felle spreker. Dit is een interpretatie die vooral opvalt door zijn verfijning en levendigheidBij James Levine hebben we weer te maken met een zaalregistratie, ditmaal uit München. Bij de solisten ontmoeten we opnieuw Deborah Voigt als Tove en voor het eerst Ernst Häfliger als heel karakteristieke spreker. Met Waltraud Meier beschikte hij over een der mooiste Woudduiven op cd. Minstens zo fraai als Janet Baker bij Ferencsik en alleen tenslotte wat minder imponerend dan Brigitte Fassbänder bij Chailly. Sinopoli’s opvatting is aan de brede, wat eenzijdig hoogromantische kant, dus met vrij trage tempi. Grote klasse bezitten het Münchense koor en orkest niet en de opnamekwaliteit is wat kaal en weinig echt stereomatig, zodat deze opname als eerste afvalt.De voorlopig nieuwste en tevens goedkoopste versie is van Robert Craft. Een in veel opzichten verrassende uitgave. De solisten behoren op de in ons land bekende bas David Wilson-Johnson na niet tot de grote beroemdheden. Stephen O’Mara (Waldemar) is hier te horen als een Wagneriaanse Siegfried, maar hij weet ook mooi te nuanceren, toont zich waardig en moedig, had hooguit iets fijnzinniger en expressiever mogen zijn. De Tove van Melanie Diener mag dan niet erg beeldend klinken, ze heeft een prachtige sopraan en zingt rotsvast. De Waldtaube van Jennifer Lane is optimaal van dramatiek en lyriek, David Wilson-Johnson is een heftig agerende boel en Martyn Hill verbluft met zijn acteertalent als Klaus-Narr. Op 83-jarige leeftijd leende Ernst Häfliger zijn Sprechstimme op haast extatische wijze aan de rol van de spreker. Het koor klinkt heldhaftig, maar de grootste waardering moet uitgaan naar Robert Craft, die vroeger vooral gold als een Pietje Precies Droogstoppel, maar die hier geheel ontdooid is en met veel passie in de felle gedeelten en gevoel voor de intiemere kanten dirigeert. Het resultaat is ondanks de soms trage tempi (Craft vergt 118’ tegen de vlotte Chailly 101’; zo’n 107’ is het gemiddelde) heel pakkend en volkomen overtuigend. Mogelijk juist omdat het een live opname betreft.  ConclusieHet komt niet zo vaak voor dat een recente, spotgoedkope opname tot de uitverkorenen behoort. Maar in het geval van de Naxos opname van Craft is dat volledig verdiend. Voor het overige zijn Rattle en Chailly de beste aanbeveling met op enige afstand Abbado en Boulez. Chailly valt vooral op dankzij de combinatie van passie en uiterste precisie. Bovendien beschikt hij over de meest homogene vocale bezetting. 

Discografie

1932. Paul Althouse, Robert Betts, Jeannette Vreeland, Rose Bampton, Abrasha Robofsky, Benjamin de Loache met koor en het Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Andante/Independant 4979-4982 (4 cd’s).

1955. Semser, Tangeman, Ernst Gruber, Richard Lewis, Stanley Riley, Gesell met koor en Nieuw symfonie orkest Parijs o.l.v. René Leibowitz. Dante Lys LYS 557/8 (2 cd’s).

1968. Inge Borkh, Hertha Töpper, Keith Engen, Herbert Schachtschneider e.a. met koor en orkest van de Beierse omroep o.l.v. Rafael Kubelik. DG 431.744-2 (2 cd’s).

1968. Martina Arroyo, Janet Baker, Niels Møller, Alexander Young, Odd Wolstad, Julius Patzak met het Deens omroepkoor en omroeporkest o.l.v. Janos Ferencsik. EMI 574,194-2 (2 cd’s).

1974. Marita Napier, Yvonne Minton, Jess Thomas, Kenneth Bowen, Siegmund Nimsgern, Günter Reich, de BBC Singers, het BBC koor, het Goldsmith koor, het Londens filharmonisch koor en het BBC symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. Sony SM2K 48459 (2 cd’s).

1979. Tatiana Troyanos, David Arnold, Kim Scown, Jessye Norman, James McCracken, Werner Klemperer met het Tanglewood festival koor en het Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 412.511-2, 475.455-2 (2 cd’s). 

1985. Brigitte Fassbänder, Hermann Becht, Peter Haage, Susan Dunn, Siegfried Jerusalem, Hans Hotter het koor van St. Hedwigs kathedraal Berlijn, Musikverein koor Düsseldorf en Berlijns Radio symfonie orkest Berlijn o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 430.321-2 (2 cd’s).

1986. Eva-Maria Bundschuh, Rosemarie Lang, Manfred Jung, Wolfgang Appel, Ulrik Cold, Gert Westphal, het Berlijns omroepkoor, Leipzigs omroepkoor, Praags mannenkoor, het Dresdens filharmonisch orkest en het Leipzigs omroeporkest o.l.v. Herbert Kegel. Berlin Classics BC 9017-2 (2 cd’s).

1990. Jard van Nes, Walter Grönroos, Volker Vogel, Elizabeth Connell, Paul Frey, Hans Franzen met het koor van de NDR Hamburg, het koor van de Beierse omroep, het Operakoor Frankfurt en het Omroeporkest Franfurt o.l.v. Eliahu Inbal. Denon CO 77066/7, Brilliant Classics 8165 (2 cd’s). 

1992. Sharon Sweet, Marjana Lipovsek, Siegfried Jerusalem, Philip Langridge, Hartmut Welker, Barbara Sukowa, het Arnold Schönberg koor, het Slowaaks filharmonisch koor, het Weens Staatsopera koor en het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 439.944-2 (2 cd’s).

1995. Deborah Voigt, Jennifer Larmore, Thomas Moser, Kurt Riegel, Bernd Weikl, Klaus Maria Brandauer, het Staatsoperakoor Dresden, omroepkoor Leipzig, Praags mannenkoor en de Staatskapel Dresden o.l.v. Giuseppe Sinopoli. Teldec 4509-98424 (2 cd’s).

2001. Anne Sofie von Otter, Thomas Quasthoff, Philip Langridge, Karita Mattila, Thomas Moser, het Berlijns omroepkoor, het MDR omroepkoor Leipzig, het Ernst Senff koor en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 557.303-2 (2 cd’s).

2001. Deborah Voigt, Waltraud Meier, Ben Heppner, Matthew Polenzani, Eike Wilm Schulte, Ernst Häfliger, het mannenkoor van het Bambergs symfonie orkest en het Münchens filharmonisch koor en –orkest o.l.v. James Levine. Oehms Classics OC 501 (2 cd’s).

2001. Melanie Diener, Jennifer Lane, Martyn Hill, Stephen O’Mara, David Wilson-Johnson, Ernst Häfliger, het Simon Joly koor en het Philharmonia orkest o.l.v. Robert Craft. Koch KICCD 7542, Naxos 8.557518/9 (2 cd’s).

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site