| SCHUBERT: DIE SCHÖNE MÜLLERIN |
|
SCHUBERT: DIE SCHÖNE MÜLLERIN In 1823 ontdekte Schubert gedurende een periode van grote mentale en fysieke ellende een verzameling gedichten van zijn tijdgenoot Wilhelm Müller: Sieben und siebzig Gedichte aus den hinterlassenen Papieren eines reisenden Waldhornisten. Die gedichten werden gekenmerkt door een eenvoudige directheid welke Schubert blijkbaar onmiddellijk aansprak. Twintig van die gedichten smeedde Schubert aaneen tot zijn cyclus Die schöne Müllerin. AchtergrondenHet gaat hier feitelijk om een novum in de geschiedenis van het kunstlied uit een door zware ziekte gekenmerkte fase in Schuberts leven, om een afgeronde cyclus bij wijze van muzikale novelle met een handeling die verloopt van een welgemoed begin tot een tragisch einde. Het gaat om de liefdesgeschiedenis van een molenaarsleerling die met zijn overdaad aan gevoelens en zijn treurige falen tengevolge van de harde werkelijkheid des levens alle kenmerken van de Duitse Michel bezit.De verzen van de gymnasiumleraar en bibliothecaris Wilhelm Müller (1794-1827) onderwierp Schubert aan een ongewone metamorfose: hij nam serieus wat als ironisch-parodistisch bedoeld was bij Müller, kuiste de al te openlijke sentimentele of bloemrijke taal van het als al te Biedermeierachtigachtige bespotte materiaal en concentreerde zich geheel op de trieste geschiedenis van de molenaarsleerling, waarbij hij ook nog de titels van een aantal gedichten veranderde.De cyclus was aanvankelijk voor tenor bedoeld met de amateurzanger Karl Freiherr von Schönstein als eerste vertolker. De lage ligging voor een tenor die hier domineert vertoont waarschijnlijk veel overeenkomst met Schuberts eigen timbre. De pianobegeleiding lijkt duidelijk te zijn geconcipieerd voor een Hammerflügel. De middelste octaven van de bewuste klaviatuur die op dat instrument heel warm, maar ook transparant klinken hebben de voorkeur terwijl de heldere, soms schelle diskant van dat instrument vrijwel geheel wordt vermeden. Geen wonder misschien ook dat de laatste tijd ook begeleiding met gitaar onder de aandacht werd gebracht.Twintig halteplaatsen tonen een novice in het leven vanaf zijn eerste pijnlijke confrontatie met de liefde, met het leed en de realiteit, waarbij wordt open gelaten of de molenaarsleerling tenslotte een einde aan zijn leven maakt in het natte element dat hem in de gedaante van de molenbeek – het water als zinnebeeld van een rusteloze verandering – voortdurend heeft begeleid.Zoals dat in een novelle vaker het geval is, ontmoet de held tegen wil en dank een reeks personen: de kokette, humeurige molenaarsdochter, de molenaar zelf en de in een canon met thematische signalen vormgegeven jagers. De al even diep verwonde held uit Die Winterreise trof later tot zijn laatste halteplaats ook geen mens meer.Het vaak simpele, naïef volksliedachtige karakter van de cyclus is bedrieglijk. Van de eerste tot de laatste maat bevat de reeks een overdaad aan ritmische, melodische en technische raffinessen, zelfs in de simpele strofisch gecomponeerde liederen. Naar krachtige accenten zal men vergeefs zoeken; de essentie schuilt in het subtiele, in de buigzame frasering, in de haast helderziend aandoende schildering van situaties en in de latente melancholie van de doorgaans in majeur gezette liederen.Zo wordt Trockne Blumen ontwikkeld vanuit een verkorte treurmars en berichten Die liebe Farbe en Die böse Farbe over de ambivalentie van een groen dat de coulisse voor de handeling vormt; Het inleidende lied, Das Wandern is een modelvoorbeeld van het strofische lied en wordt Am Feierabend het toonbeeld van een huiselijke ronde in de molen dankzij de gekozen rondovorm.In deze cyclus gaat het om de wisselingen van het lot die het een jongeman zo moeilijk maken. Ambachtsreis, beek, sterren – alles is een zinnebeeld van rusteloosheid en wijst op voortdurende veranderingen. De aan de dichtwereld van Wordsworth herinnerende idylle bij de pantheïstische beekoever en de molen wordt tot kwelling, uit het vriendelijke groen ontstaat de kleur van de medeminnaar, uit het monter kabbelende omnipresente beekje (in de pianopartij getekend door een stortvloed aan kabbelende zestienden) het graf. Tot op zekere hoogte kan dit essay over tot mislukking gedoemde onschuld worden beschouwd als een voorstudie van de later in Die Winterreise geschilderde nog duisterder wereld van verdriet en desillusie. De opnamen Het cd veld overziend valt allereerst het relatief grote aantal historische opnamen van zangers als Richard Crooks, Anton Dermota, Gerhard Hüsch, Lotte Lehmann, Julius Patzak en Axel Schiötz op. Van die historische opnamen is die van Julius Patzak de interessantste en beste. Volledigheidshalve dient verder te worden vermeld dat een aantal op meest moeilijk of niet verkrijgbare labels is weggelaten, ook omdat de bewuste zangers niet tot het eerste garnituur behoren. Dit geldt voor Baert, Benton, Edgar-Wilson, Felix, Gien, Krumbiegel, Kutschera, Walter Ludwig, Mammel, Mc Millan, Mey, Mohr, Persson, Rösl en Vandersteene. Jammer is hooguit dat de mooie Classics for Pleasure opname van Ian en Jennifer Partridge (CFP 4672) hier niet leverbaar is.Dan is er een aantal buitenbeentjes: de sopranen Lotte Lehmann en Lois Marshall die zich – fraai zingend, maar in laatste instantie niet echt geloofwaardig – op dit materiaal wierpen en de altus Jochen Kowalski die mooie dingen laat horen maar die me met een lichte allergie voor deze stemsoort niet blijvend overtuigt. Voor liefhebbers en bewonderaars dus.Nadat Peter Schreier al eens een interessante opname met gitaarbegeleiding door Konrad Ragossnig had gemaakt, kwam onlangs Maarten Koningsberger met een over twee gitaren verdeelde begeleiding door twee leden van het Amsterdams gitaartrio op de proppen. Een geslaagd experiment dat nadere kennismaking waard is. De zanger krijgt hier alle ruimte en overtuigt goeddeels; zo is voor een interessant en waardevol alternatief van het gangbare gezorgd.De mooiste versie van Peter Schreier is die met de geboren Schubertvertolker András Schiff. Samen zorgen zij voor een der mooiste uitvoeringen. Schreier disciplineerde zijn van nature wat klaaglijke toon en geeft een treffende, fraai geaccentueerde vertolking, waarin hij een mooi expressieve inhoud verleent aan lief en leed van de molenaarsjongeling. Hoewel beslist zeer bestudeerd klinkt het resultaat heel spontaan en natuurlijk; Schiff begeleidt voorbeeldig en toont zich eens temeer een groot Schubertiaan.Volgens de stelregel dat het beste de vijand van het goede is, blijven na een grondige selectie de volgende – in favoriete tenor- en even iets lager ingeschaalde baritoninterpretaties – over. In menig opzicht is Fritz Wunderlich nog steeds de ideale vertolker van Schuberts naïefste liederencyclus dankzij zijn volkomen spontane, ongecompliceerde en tegelijk heel plastische manier van voordragen die fraai de mentaliteit en de wisselende stemmingen van de fictieve knaap uitdrukt. Jammer genoeg was hij ten tijde van de opname nog niet helemaal op het hoogtepunt van zijn kunnen en zijn niet alle details optimaal ingevuld.Een jongere zanger als Josef Protschka pakt de zaak dramatischer, virieler, impulsiever en haast intelligenter aan. Hier krijgt de cyclus haast het karakter van een opera eenakter. Nadeel is dat zijn stem in de hoge ligging in luidere passages wat scherp gaat klinken. De Bösendorfer van volgzaam begeleider Deutsch daarentegen klinkt prachtig.Met zijn lichte timbre zorgt Ian Bostridge op heel gedetailleerde, rijk genuanceerde en heel subtiele, dus volledig uitgewerkte manier de tragiek van de jongeman uit de cyclus tot uiting. Zonder daarbij in gemaniëreerdheid te vervallen. Interessant is de toevoeging van de niet door Schubert getoonzette gedichten van Müller die voortreffelijk door Fischer-Dieskau worden gesproken.Een heel aangename verrassing is ook Werner Güra met een om te beginnen prachtige stem en een perfecte zangtechniek en die zo in staat is om heel genuanceerd en steeds aan de sfeer aangepast de hele cyclus heel idiomatisch en treffend af te wikkelen.Wie wil horen hoe een Hammerflügelbegeleiding uitpakt, moet vooral eens luisteren naar de interpretatie van Christoph Prégardien en Andreas Staier op Harmonia Mundi die op zichzelf best mooi is, maar niet in de hoogste regionen eindigt.Bij de baritons blijkt Olaf Bär niet alleen te beschikken over een prachtig fluwelig warme, plooibare stem, maar – belangrijker nog – over de middelen om de teksten inhoud te geven.Dietrich Fischer-Dieskau brengt een paar keer in verschillende levensfasen al zijn ervaring, intelligentie in stelling om het binnenleven van zowel tekst als muziek uit te drukken. Zijn flexibele, heel kenmerkende toon en voordracht worden getemperd in de meer overpeinzende liederen en zwellen tot stentorproporties aan in de fellere. Gevoel voor dramatiek en het vermogen boeiend een verhaal te vertellen bepalen het karakter van de voordracht in hoge mate. Iemand als Gerald Moore en in wat mindere mate Jörg Demus zorgen in de begeleiding ook voor veel inzicht en flair. Wie tussen zijn diverse versies een keus moet maken, is haast het beste af met die uit 1971 op DG, waar hij dramatisch spontaan zingt en vooral in de somberder liederen overtuigt; de luchtiger teksten klinken wat ongemakkelijker. De realisatie is inclusief de gesproken proloog en epiloog.Siegfried Lorenz en zijn dynamische pianist Norman Shetler zijn ook zeker niet te versmaden. Lorenz beschikte over een jeugdige stem die fraai past bij het sentiment van deze liederen, maar klinkt ook gerijpt genoeg om de universele waarden van het materiaal gestalte te geven. Shetler is geen echte begeleider, maar verleent zijn pianopartij wel een gelijkwaardig karakter zonder te domineren. Hun partnerschap is uitstekend en ze tonen een kien gevoel voor ritme en lange lijnen.Wolfgang Holzmair wijdde zich tweemaal aan de Schubertreeks, eerst als jonge zanger op Preiser, later, gerijpt en met een idiomatischer begeleiding van Schubertspecialiste Imogen Cooper op Philips. Een heel mooie, stijlvolle en beeldende verklanking is het resultaat en Holzmair behoort zeker tot de beteren onder de vertolkers.Een aangename verrassing uit onverwachte hoek is de recente Channel Classics opname van Jochen Kupfer die Holzmair met een jeugdiger aandoende stem, een nog fraaier timbre en een beter verzorgde techniek nog weer overtreft. Gemeen hebben beide zangers een passend tenorachtig stemkarakter. ConclusieWat de tenorversies betreft, eindigen Bostridge (Hyperion), Güra (Harmonia Mundi), Schreier (Decca), Protschka (Capriccio) en Wunderlich (DG) bovenaan; bij de baritons zijn de ‘winnaars’ Fischer-Dieskau (DG 463.503-2), Goerne (Decca), Kupfer (Channel Classics), Bär (EMI) en Holzmair (Philips). DiscografieSopraanLotte Lehmann en Paul Ulanowski. Dante Lys 231/4 (4 cd’s).
Lois Marshall en Anton Kuerti. PSCD 2010. 1979 Altus Jochen Kowalski en Markus Hinterhäuser. Capriccio 10774. 1997 tenor Francesco Ariaza en Irwin Gage. DG 453.979-2. Ian Bostridge en Graham Johnson. Hyperion CDJ 33025. 1994/5 Richard Crooks en Frank la Forge. Delos DE 501 (2 cd’s). 1933 Anton Dermota. Preiser 93274. Christian Elsner en Ulrich Eisenohr. Naxos 8.554664. 1999 Werner Güra en Jan Schultsz. Harmonia Mundi HMC 90.1708. 1999 Ernst Häfliger en Jörg Ewald Dähler. Claves CD 8301. 1982 Ernst Häfliger en Erik Werba. Sony 48287. Julius Patzak en Michael Raucheisen. Preiser 93128. 1943 Christoph Prégardien en Andreas Staier. Harmonia Mundi 5472-77273-2. 1991 Josef Protschka en Helmut Deutsch. Capriccio 10.082. 1985 Axel Schiötz en Gerald Moore. Preiser 90293. 1945 Peter Schreier en Walter Olbertz. Berlin Classics BC 9284-2. 1971 Peter Schreier en Konrad Ragossnig. Berlin Classics BC 1123-2. 1980 Peter Schreier en András Schiff. Decca 430.414-2. 1989 Peder Severin en Dorte Kirkesov. Danacord DACOCD 396. 1992 Rainer Trost en Friedrich Haider. Nightingale NC 071460-2. 1995 Fritz Wunderlich en Hubert Giesen. DG 423.956-2, 447.452-2. 1965 Fritz Wunderlich en Karl-Heinz Stolze. RCA GD 69312, 74321-29241-2. 1957 bariton Olaf Bär en Geoffrey Parsons. EMI 747.947-2, 566.145-2. 1986 Dietrich Fischer-Dieskau en Gerald Moore. EMI 763.559-2. 1951 Dietrich Fischer-Dieskau en Gerald Moore. EMI 566.907-2, 566.146-2, 566.907-2. 1961 Dietrich Fischer-Dieskau en Jörg Demus. DG 463.502-2. 1968 Dietrich Fischer-Dieskau en Gerald Moore. DG 415.186-2, 453.676-2. 1971 Matthias Goerne en Eric Schneider. Decca 470.025-2. 2001 Shura Gehrman en Norman Walker. Nimbus NI 1766 (2 cd’s). 1972 Hakan Hagegard en Emanuel Ax. RCA 09026-61705-2. 1987 George Henschel en Fritz Schwinghammer. EMI 572.824-2. 1997 Robert Holl en David Lutz. Preiser 93400.Wolfgang Holzmair en Jörg Demus. Preiser 9337. 1983 Wolfgang Holzmair en Imogen Cooper. Philips 456.581-2. 1997 Gerhard Hüsch en Hanns Udo Müller. Preiser 89202 (2 cd’s), Pearl GEMMCD 9479. 1934. Jorma Hynninen en Ralf Gothony. Ondine ODE 719-2. 1988 Maarten Koningsberger met Olga Franssen en Esther Steenbergen. Etcetera KTC 1256. 2003 Jochen Kupfer en Susanne Giesa. Channel Classics CCS 18898. 2001 Siegfried Lorenz en Norman Shetler. Capriccio 10.220. 1987 Hermann Prey en Leonard Hokanson. Philips 422.241-2. Andreas Schmidt en Rudolf Jansen. Hänssler 98373. 2000 Bo Skovhus en Helmut Deutsch. Sony 63075. 1997 Gérard Souzay en Dalton Baldwin. Philips 420.850-2, 438.511-2, Belart 461.522-2. 1964 |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
