SCHUBERT: SYMFONIE NR. 9
Vergelijkende Discografieen

SCHUBERT: SYMFONIE NR. 9 IN C D. 944

 

Schindler, de eerste biograaf van Beethoven, noemde de Negende symfonie van Schubert Ein Ungeheuer, Schumann die het werk terugvond in een lade bi Schuberts broer sprak van de ‘hemelse dimensies’. Het werk ontstond in Schuberts sterfjaar 1828, maar pas twaalf jaar later kreeg het zijn eerste uitvoering in Leipzig 21 maart 1839 onder leiding van Felix Mendelssohn. Een Weens orkest had het na een eerste blik in de partituur te hebben geworpen geweigerd te spelen: het was te lang en te moeilijk; bovendien waren veel eentonige strijkersfiguren te vermoeiend.

 

Achtergronden

 

Inderdaad gaat het bij Schubert IX om een bijzonder werk dat de klassieke vormen deels binnen te buiten keert met zijn vloeiende melodieën, zijn nieuwe dramatische klanken die op een manier worden ontwikkeld die totaal verschilt van die welke Beethoven hanteerde. De harmonische ontwikkelingen en het goochelen met toonaarden in de finale zijn toekomstgericht.

Schumann trof de kern der zaak goed toen hij zei: “Wanneer we de vier delen afzonderlijk beschouwen, dan schenken ze misschien geen volledig bevredigend gevoel. Maar samen  geven ze een prachtig beeld van het vernieuwende karakter van de symfonie”.

 

Hoewel het handschrift van de symfonie mysterieus op ‘maart 1828’ is gedateerd, werd deze tussen de zomer 1825 en najaar 1826 geschreven. Het manuscript werd aan de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen in de tweede week van oktober aangeboden. Een paar maanden later waren de afzonderlijke partijen gekopieerd.

De lengte is inderdaad verrassend: zelfs zonder herhalingen bevatten de delen respectievelijk 685, 380, 258+166 en 1154 maten. Ter vergelijking: Beethovens Negende bevat 547, 559, 157 en 940 maten. Maar Schuberts orkest is een stuk minder omvangrijk dan dat van Beethoven: dubbele houtblazers, hoorns, trompetten, drie trombones en strijkorkest, niet noodzakelijkerwijs op basis van acht contrabassen.

Het uitgebreide inleidende andante van het allegro ma non troppo geeft meteen blijk van schaal van Schuberts architectuur en de rest van het eerste deel is een prachtig voorbeeld van hoe motieven binnenin zo’n deel kunnen worden geïntegreerd. Andere verenigende elementen zijn de verwantschappen tussen de toonaarden, ritmische patronen en de instrumentatie, zoals bijvoorbeeld het herhaaldelijk en heel origineel gebruik van de trombones.

Het eerste thema met zijn levendige ritme in de strijkers en de daarop antwoordende blazers schept een stevige stuwkracht en het tweede thema, eerder klaaglijk van aard, is minder urgent, maar neemt binnen het geheel een even belangrijke plaats in.

Het andante con moto (in a-klein) is tegelijk direct aantrekkelijk en heel subtiel door de gevarieerde lengte der frasen, de orkestratie en de harmonische gedurfdheid die alle bijdragen tot de nevenschikking én  vermenging van lyriek en drama. Bij Schubert vormen de langzame delen vaak hoogtepunten, ook hier. Naar aanleiding van dit deel had Schumann het over de himmlische Länge. Hij dacht daarbij speciaal aan de recapitulatie van het hoofdthema waar de hoorn een reeks subtiele noten speelt ‘als komend uit een andere wereld. Al het andere is verstomd alsof een hemelse bezoeker door het orkest waart’.

Wanneer het Scherzo (allegro vivace) de levendige en gewichtiger apotheose is van eerdere dergelijke pogingen in de Symfonie nr. 7 in E en het Octet, is het kader hier aanzienlijk groter, meer echt symfonisch.

De finale (allegro vivace) geeft geen blijk van verminderde inspiratie. Hier is de voorwaarts stuwende kracht de drager vaneen opgewonden stemming terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan alle formele eisen.

Dit is echt een werk waarin Schubert zijn tijd een stuk vooruit was en zich een voorloper van Bruckner toont.

Bijnamen en nummers zijn makkelijk om muziekwerken te herkennen, ook al zijn die bijnamen maar zelden door de componist gegeven. Maar niemand stelt de bijnaam – ‘De Grote in C’ – bij Schuberts Negende ter discussie. Er is immers ook ‘De kleine symfonie in C’, nr. 6 D. 589.

De situatie rond de nummering van het werk is complexer. De verwarring ontstond toen eind negentiende eeuw in de Oude Volledige Uitgave van Schuberts werken het nummer 7 aan deze symfonie toekenden en de Onvoltooide D 759 slechts in een appendix opnamen: het werk was tenslotte niet af. Een onbedoeld voordeel van die gangbare nummering was dat de volledig geschetste, maar slechts deels georkestreerde versie van de Symfonie in E D. 729 uit 1821 nu nr. 7 kon worden. Dat werk is overigens o.a. door Brian Newbould georkestreerd

Zelfs nu nog met veel beter toegeruste orkesten en voortreffelijk geschoolde, ervaren dirigenten is een vertolking van dit werk geen sinecure.

 

De opnamen

 

De lijst met theoretisch beschikbare opnamen is weer erg lang en nog niet eens compleet. Maar dan nog is het bij zo’n veelzijdig aan te pakken werk onmogelijk om één of zelfs twee of die ‘winnaars’  aan te wijzen. Misschien is een sortering per tijdvak zinvol.

In de jaren vijftig vorige eeuw was sprake van een soort strijd tussen Toscaninianen en Furtwänglerianen. Ook of juist wat deze Schubertsymfonie betreft. Toscanini stond voor snel, met veel drive, straf, wat zakelijk, helder, fel, typisch komend vanuit de Latijnse wereld en Furtwangler voor langzaam, met grandeur, heel romantisch en menselijk, flexibel, warm, geworteld in de Duitse romantiek. Er is wel opgemerkt dat Schubert IX niet kan worden ‘geleerd’, maar dat een dirigent hem in zijn botten heeft of niet. Die opvatting is dan strijdig met het bestaan van die twee duidelijke scholen.

Het kan geen kwaad om de zoektocht met hun beider exemplarische uitvoeringen te beginnen omdat ze meteen de uitersten in opvatting markeren. De indeling is vrij grofmazig, maar markant genoeg. Hij geeft in ieder geval de categorische verschillen aan en vormt een uitnodiging om van beide richtingen te proeven.

De strakke, assertieve lijn werd daarna met de nodige marges verschil voortgezet door Abendroth, E. Kleiber, Monteux, Szell, Dorati, Klemperer, Wand (3x), Solti, Fischer (2x!), Muti, Abbado, Davis (2x), Norrington, Mackerras (3x), Harnoncourt en Gardiner. Wat Furtwängler betreft lijkt de opname uit 1951 de beste keus; hij klinkt minder opwindend dan de oudere, is wat minder emotioneel geladen, maar klinkt gedisciplineerder en fraaier, wat Toscanini betreft die uit 1947.

De romantiserende richting vond vertegenwoordigers in Walter, Mengelberg, Krips (2x), Böhm, Tennstedt, Bernstein, Sinopoli en Rattle. Dit is misschien ook het moment om op te merken hoe spijtig het is dat Haitinks enige vertolking nooit naar cd is overgeheveld.

Een ander punt geldt de ingeslepen traditie waarbij de herhalingen in de hoekdelen en die in de tweede helften van scherzo en trio worden weggelaten. Overigens: Harnoncourt is een van de weinigen die alle herhalingen serieus neemt en de hemelse lengte zo nog langer maakt. Een andere gewoonte is om het begin andante langzaam te versnellen om de overgang naar het allegro te verzachten en de eigenschap om behoorlijke tempoverschillen aan te brengen tussen eerste en tweede thema’s en om de tempoteugels te laten vieren in het slot coda in plaats van de spanning op te voeren en pas in de laatste maten het tempo te verbreden. Vooral de ‘softies’ bezondigen zich daaraan.

Hier wat korte kenschetsen in een poging de diverse in aanmerking komende uitvoeringen nader te karakteriseren.

Hoewel niet meer zo markant als kort na verschijnen, verdient ook de lichtelijk granieten interpretatie van Klemperer zeker nog gehoor. In dezelfde geest klinken de interpretaties van Munch die grote dramatische spanningen schept en in zekere zin daarin Toscanini overtreft en de precieuze, beheerste en toch meeslepende Szell.

Wie nog steeds bij Karajan zweert is beter bediend met zijn DG- dan met zijn bijna in galm ten onder gaande EMI uitgave.

Een speciale plaats nemen Böhm en Krips met hun milde, vriendelijke en warm gloeiende verklankingen in. Als relatiegeschenk bracht DG in 1963 ooit met Kerstmis een lp uit met daarop de repetities in Berlijn. Wie luistert naar de Londense opname van Krips uit 1958 zal zich aangenaam verbazen over zijn gelijkmatige tempi binnen een naar Weense stijl gemodelleerde opvatting. Climaxen zijn stevig geplaatst en jammer eigenlijk dat in zo’n mooi geheel de herhalingen mankeren.

Tot de dirigenten die ook zeer de moeite van het aanhoren waard zijn, behoort Erich Kleiber met zijn prachtige Keulse concert waarin hij alle aspecten van het werk belicht. Jammer dat we van zoon Carlos geen opname hebben.

In 1981 was Davis een der eersten die de Negende compleet met alle herhalingen behalve in het scherzo uitvoerde. Vaart en energie zijn verder kenmerkend, maar is ook veel contrast in tempo en dynamiek en er is veel aandacht besteed aan de articulatie. RCA legde het allemaal prachtig vast.

Bij Mackerras hebben we de keuze tussen drie opnamen. De eerste uit 1988 met ‘oude’ instrumenten, de tweede uit 1998 wat verder toegespitst met de verworvenheden van authenticiteit toegepast op een betrekkelijk klein traditioneel ensemble, nog steeds zonder herhaling in het scherzo, maar nu wel met deze van de expositie in de finale. De derde uit 2006 mrt groot traditioneel orkest brengt geen verbetering.

De anders zo vaak frenetieke Solti is in Wenen opvallend lyrisch en ontspannen. Hier toont de dirigent zijn mildere kant in een vrij overpeinzende, maar lyrisch geladen interpretatie. Het is een uitvoering die meteen diepe indruk maakt en die verrast omdat we de glimlachende en zachtaardige Solti nauwelijks kennen terwijl toch niets aan vitaliteit verloren gaat. Ook de opnamekwaliteit is nog steeds verrassend goed. Goede ‘remastering’ heeft hierbij geholpen

Opvallend is dat Rattle in Berlijn eerder in de voetsporen van Furtwängler dan in die van Karajan treedt met zijn brede en vrije opvatting (heel gematigde tempi). Van de tempowisselingen moet men gediend zijn, sommige rallentandi doen wat gemaakt aan. Bovendien wordt de luisteraar in een haast wat te warm klankbad gestort.

Wand is met zijn krachtige en warmbloedige realisaties ettelijke keren vertegenwoordigd. Tot op zekere hoogte maakt hij vooral in de opname met het NDR orkest korte metten met het idee van de hemelse lengten. Vertragingen voor de tweede thema’s uit het eerste en tweede deel, voor overgangen en het trio uit deel drie moet men voor lief nemen. Toch is het resultaat imposant.

Dat het nog beter kan met een ook beter orkest blijkt uit zijn opname uit 1995 met het Berlijns filharmonisch. Luister naar de strijkers in de finale en de blazers in het algemeen. De toewijding, de ervaring en het inzicht spraken in Berlijn nog duidelijker mee.

Een zekere mate van purisme is Norrington nooit vreemd geweest, maar hij veroorlooft zich ook vaak eigenzinnige vrijheden in tempi en dynamiek binnen een in principe heel voorwaarts stuwende, energieke verklanking die wel een aantal prachtige pianissimi kent.

Wat Brüggen met minstens zoveel ervaring en inzicht op ‘authentiek’ gebied presteerde is minder schokkend, maar wel heel constant op het hoogste niveau. Jammer dat al dit Philips moois uit de catalogus verdween.

Gardiner overleefde deze slachting nog wel en binnen dezelfde cultuur gooit ook hij hoge ogen. Een lichte toets en vlotte tempi waren te verwachten, maar de dirigent laat het orkest zijn Weense traditie, inclusief alle violen met hun specifieke vibrato links en hun typisch gekleurde houtblazers (hobo’s in het tweede deel, prachtig samen als groep in het trio uit deel 3). Dat een compromis tussen bestaand en vernieuwend succesvol kan zijn, wordt hier hoorbaar.

Een buitenbeentje is de BIS opname van Dausgaard. Dat de Negende door een klein bezet orkest wordt uitgevoerd, is vaker vertoond, met succes door Marriner bijvoorbeeld die een lichte, gracieuze toets huldigt Een aanpak als die van Dausgaard heeft ook best nut, want zo had het werk kunnen klinken aan het eind van Schuberts leven. De vraag is alleen of toen de tempi ook zo ultrasnel zouden zijn geweest als hier. Toch zijn er best mooie momenten dankzij de natuurhoorns, een prachtige hobosolo in het langzame deel, een veerkrachtig scherzo, een Ländler achtig vlot trio en de duidelijke detailtekening. Best verfrissend eigenlijk voor een keer.

Omvangrijk is natuurlijk ook het enthousiaste, gedisciplineerde Europees Kamerorkest dat Abbado ten dienste staat niet. Dat komt om te beginnen de helderheid en de details van zijn verklanking ten goede. Gepunteerde ritmen en triolen flonkeren. Minstens zo interessant en belangrijk is het resultaat van het bronnenonderzoek door de dirigent. Het gaat meestal om minieme wijzigingen, maar duidelijk is wel dat het scherzo vier maten extra krijgt. Verder is verfijning troef. De hele stijl is niet onconventioneel met bijvoorbeeld een lichte vertraging van het tweede thema uit het eerste deel en de wat uitgerekte cellomelodie na de climax uit het tweede deel, maar dat gebeurt binnen een totale, frisse  realisatie waarvan het gelukkig is dat deze niet alleen in de complete box van 5 cd’s verkrijgbaar is.

Net als Abbado heeft Harnoncourt grondig Schuberts eigen manuscripten doorzocht en de nodige onjuiste insluipsels gecorrigeerd. Maar daarop alleen zijn de verschillen tussen beider uitvoeringen niet terug te voeren. Dat blijkt het duidelijkst in de finale, een fel wervelend vivace met heel puntige ritmen en accenten. Het is vooral een genoegen om de snelle delen zo betrekkelijk licht en urgent enthousiasme te horen gespeeld.

Als voorlopig nieuwste uitgave is daar dan nog Fischer die met zijn Hongaarse orkest in 1984 al een – hier onbekende – opname van de Negende maakte. Zonder echt bijzondere dingen voor te toveren weet deze dirigent eigenlijk altijd wel bekend materiaal van nieuwe glans te voorzien, soms ook een heel nieuw aanschijn te geven. Hier begint dat meteen met de bijzondere natuurhoornklanken. Drama wordt aangekondigd. Er is ook verderop nagedacht over de interpretatie: het allegro gaat snel en er zijn geen overdreven tempowisselingen, het andante vloeit logisch met prachtige, subtiele momenten (opnieuw van hoorns en strijkers), scherzo en trio zijn van voortreffelijk gehalte en de finale klinkt mooi militant en eindigt met een meesterlijk coda. Wat zo bijzonder is, zijn de kneedbare beheersing van het ritme, de subtiele zwellingen en samentrekkingen van frasen, het gevoel voor orkestkleuren en de zin voor evenwicht.

 

Komen we aan de dvd opnamen.

Bij de voorbereiding van een Weense uitvoering werd dat meteen in beeld en geluid vastgelegd. In de verfilming van Henri Colpi (bekend van de films Dernière année à Marienbad en Une aussi longue absence) is een goede waarnemer die een schijnbaar ontspannen dirigent en orkest volgt. Böhm vraagt het ensemble telkens om nauwkeuriger te zorgen voor het opvolgen van de detailaanwijzingen uit de partituur (fp, sf, accenten. De bekende strijd wordt gevoerd: “wel luider, maar niet sneller”, de balans tussen blazers en strijkers krijgt aandacht met een enkel woord aan de hobo en de klarinet, maar nooit voor de strijkers. Er is discussie met de trombones (al dan niet verdubbeld) in het scherzo. Dat de uiteindelijke realisatie minder verfijnd en rijk klinkt dan Böhms Berlijnse opname kan deels liggen aan de wat ongelukkige akoestiek van de tv studio. Maar interessant is het wel om het ontstaansproces te volgen.

De videoregistratie van het Europa Concert 2009 met die Berlijners, ditmaal onder Muti en in Napels levert een mooi geïntegreerde, best persoonlijke en krachtige lezing op, die echter wat gladjes aandoet. Toch een gedegen eindresultaat.

Maar mooier, beter, want geconcentreerder en hoogwaardiger is de opname die in 1995 door ervaren rot Hugo Käch werd gemaakt van een spannende uitvoering door Wand tijdens het Sleeswijk Hollstein Festival in een mooie zaal in Lübeck. De muzikale eb en vloedwerking is prachtig en de tempowisselingen doen heel natuurlijk aan.

 

Conclusie

 

In een zo zwaar bezet veld en met zoveel op verschillende manieren zich onderscheidende uitschieters kunnen alleen  maar de interessantste uitgaven worden genoemd. Dan komen persoonlijke voorkeuren in het geding. Hopelijk kunnen deze worden bepaald aan de hand van bovenstaande korte karakterschetsen. Daarbij gaat het vooral om Furtwängler (DG), Solti, Fischer (Channel Cl.), Wand (Berlijn), Abbado, Mackerras (Hyperion), Harnoncourt en Böhm.

 

Discografie

 

1928 Hallé orkest o.l.v. Hamilton Harty. Pristine Audio PASC 282.

 

1934 BBC Symfonie orkest o.l.v. Adrian Boult. Beulah 3PD 12.

 

1937 Berlijns Omroeporkest o.l.v. Karel Ancerl. Tahra TAH 117.

 

1938 Londens symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Dutton CDEA 5003.

 

1940 Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Philips 416.212-2.

 

1941 Philadelphia orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60328 (4 cd’s).

 

1942 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Pristine Audio PASC 253.

 

1942 Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Biddulph WHL 039.

 

1943 Concertgebouworkest o.l.v. Paul van Kempen. DG 69197/203 (78 t.).

 

1947 NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60291.

 

1949 Leipzigs filharmonisch orkest o.l.v. Hermann Abendroth. Berlin Classics BC 2051-2.

 

1951 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. DG 427.405-2, 447.439-2.

 

1952 Concertgebouworkest o.l.v. Josef Krips. Decca 480.280-2.

 

1952 New York filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. United Archives  UAR 0051.

 

1953 NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60290.

 

1953 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler.  Tahra FURT 1008/11 (4 cd’s).

 

1953 Omroeporkest Keulen o.l.v. Erich Kleiber. Medici Masters MM 027-2.

 

1954 Nationaal orkest van de Franse Omroep o.l.v. Josef Krips. Cascavelle VEL 3155.

 

1955 Royal philharmonic orkest o.lv. Thomas Beecham. Somm SOMM-BEECHAM 29.

 

1957 Boston symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. West Hill Radio Archives WHRA 6022 (8 cd’s), Tahra TAH 659.

 

1957 Cleveland orkest o.l.v. George Szell. Sony MK 42415, SBK 48628.

 

1958 Londens symfonie orkest o.l.v. Josef Krips. Decca 425.957-2, 480.4275.

 

1958 Boston symfonie orkest o.l.v. Charles Munch. RCA 88679-04603-2.

 

1960 Londens symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Antal Dorati Centenary Society ADL 201.

 

1960 Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. EMI 763.854-2.

 

1963 BBC Symfonie orkest o.l.v. Adrian Boult. BBC Legends. BBCL 4072-2.

 

1963 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Karl Böhm. DG 469.627-2, 471.307-2 (4 cd’s)r.

 

1975 Londens filharmonisch orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. BBC Legends BBCL 4140-2.

 

1975 Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 9500097 (lp).

 

1975 Londens filharmonisch orkest o.l.v. John Pritchard. CFP CD-CFP 6037.

 

1976 Cincinnati symfonie orkest o.l.v. Thomas Schippers. Mobile Fidelity MFCD 817.

 

1977 Omroeporkest Keulen o.l.v. Günter Wand. EMI 747.878-2.

 

1977 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 586.067-2 (2 cd’s), 476.895-2.

 

1981 Weens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 400.082-2, 460.311-2.

 

1984 Chicago symfonie orkest o.l.v. James Levine, DG 413.437-2.

 

1984 Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Hungaroton HCD 12722-2.

 

1984 Staatskapel Dresden o.l.v. Herbert Blomstedt. Berlin Classics BC 1428-2.

 

1984 Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. BBC Legends BBCL 4195-2.

 

1985 Cleveland orkest o.l.v. Christoph von Dohnányi. Telarc CD 80110.

 

1986 Weens filharmonisch orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 574.808-2 (4 cd’s).

 

1986 Staatskapel Dresden o.l.v. Jeffrey Tate. EMI 747.478-2.

 

1987 Concertgebouworkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 427.646-2.

 

1987 Chamber orchestra of Europe o.l.v. Claudio Abbado. DG 423.651-2 (5 cd’s), 423.656-2.

 

1988 London Classical Players o.l.v. Roger Norrington. EMI 749.949-2.

 

1988 Orchestra of the Age of Enlightenment o.l.v. Charles Mackerras. Virgin 913-231-2.

 

1990 Hanover Band o.l.v. Roy Goodman, Nimbus NI 5270/3 (4 cd’s), Brilliant Classics 99587 (4 cd’s).

 

1991 Omroeporkest Hamburg o.l.v. Günter Wand. RCA RD 60978.

 

1992 Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 4509-91184-2, 2564-62323-2 (4 cd’s).

 

1992 Omroeporkest Saarbrücken o.l.v. Marcello Viotti. Claves CD 50-970005.

 

1992 Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Philips 438.006-2.

 

1992 Staatskapel Dresden o.l.v. Giuseppe Sinopoli. DG 437.689-2.

 

1993 Münchens filharmonisch orkest o.l.v. Günter Wand. Profil Medien  PH 06014.

 

1993 Warschau filharmonisch orkest o.l.v. Peter Tiboris. Albany TROY 089-2.

 

1994 Staatskapel Dresden o.l.v. Colin Davis. RCA 09026-62673-2, 82876-60392-2 (4 cd’s).

 

1994 Failoni orkest o.l.v. Michael Halász. Naxos 8.553096.

 

1994 Camerata Salzburg o.l.v. Sandor Végh. Capriccio10503.

 

1996 Staatskapel Dresden o.l.v. Colin Davis. Profil Medien PH 06038.

 

1996 Putbus Festival orkest o.l.v. Wilhelm Keitel. Arte Nova 74321-54458-2 (4 cd’s).

 

1997 Weens filharmonisch orkest o.l.v. John Eliot Gardiner. DG 457.648-2.

 

1997 Sinfonia Varsovia o.l.v. Yehudi Menuhin. Warner 2564-60532-2.

 

1998 Schots kamerorkest o.l.v. Charles Mackerras. Telarc CD 80502.

 

2005 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 339.382-2.

 

2006 Philharmonia orkest o.l.v. Charles Mackerras. Signum Classics SIGCD 133.

 

2009 Zweeds kamerorkest Örebro o.l.v. Thomas Dausgaard. BIS SACD 1656

 

2010 Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Channel Classics CCS SA 31111.

 

 

Met onbekende opnamedatum

 

…. RIAS Orkest Berlijn o.l.v. Leo Blech. Archipel ARPCD 0156.

 

…. Concertgebouw orkest o.l.v. Eugen Johum. Tahra TAH 474/7 (4 cd’s).

 

…. Weens filharmonisch orkest o.l.v. István Kertesz. Decca 430.773-2 (4 cd’s).

 

….Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Philips 470.886-2, Newton Classics 880.2033 (6 cd’s).

 

…. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Orfeo C5660128.

 

…. Boston symfonie orkest o.l.v. Charles Munch. RCA 88697-04603-2.

 

…. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Jonathan Nott. Tudor TUDOR 7144.

 

…. Südwestfunk Orkest o.l.v. Hans Zender. Hänssler 93120 (4 cd’s).

 

Video

 

1966 Weens filharmonisch orkest o.l.v. Karl Böhm. Medici Arts 207.219-8.

 

1995 Omroeporkest Hamburg o.l.v. Günter Wand. TDK DVWW-COWAND 6(dvd).

 

2009 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Riccardo Muti. Medici Arts 205.772-8 (dvd).

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site