| TCHAIKOVSKY: ZWANENMEER |
| Vergelijkende Discografieen |
|
TCHAIKOVSKY: ZWANENMEER De misschien wel mooiste prototypes van het klassieke ballet zijn Tchaikovsky's Doornroosje, De notenkraker en Zwanenmeer. Daarmee betekent Tchaikovsky voor een choreograaf ongeveer evenveel als Mozart voor een operaregisseur. Dat bij de begeleiding van deze dansmuziek pur sang ook de dirigenten een belangrijke rol spelen, spreekt vanzelf. In de suites uit deze balletten kunnen ze vrijelijk hun gang gaan en eigen tempi kiezen. Achtergronden Vòòr Tchaikovsky's tijd was de Russische balletmuziek maar flauwe kost en niet veel meer dan achtergrondmuziek voor de dansers die hun kunsten wilden vertonen. Maar Tchaikovsky introduceerde een breder spectrum aan ritmen en vergrootte de melodische rijkdom en de orkestratie. Maar bovenal verleende hij het ballet een idee van symfonische constructie. Kortom: hij verleende de balletmuziek de status van een volwaardige kunstvorm. Het klassieke ballet heeft aan Tchaikovsky meer te danken dan aan welke andere componist ook. Ook wanneer zijn drie belangrijke balletten in hun tijd niet meer dan een beleefde ontvangst genoten, tegenwoordig behoren ze tot de over de hele wereld meest uitgevoerde balletten. Tchaikovsky kreeg de opdracht voor Zwanenmeer aan het eind van mei 1875 van het Keizerlijk (Tsaristisch) Theater. Het was een opdracht die hij graag aannam, deels omdat zijn financiële positie slecht was, deels omdat hij - zoals hij aan Rimsky-Korsakov schreef - "Ik heb al lang gewenst me aan dit soort muziek te wagen". Het gevolg was dat de componist het eerste ballet maakte dat grote muzikale samenhang vertoonde. Want in plaats van dat hier een reeks dansen met slechts de vaagste handeling is aaneengeregen, bestaat Zwanenmeer uit mooi geconstrueerde quasi symfonische delen die bijeen worden gehouden door een systeem van thema's en toonaard structuren. Dat zo vaak een symfonisch karakter aan de muziek wordt toegeschreven, wordt in de hand gewerkt door het feit dat Tchaikovsky de partituur niet voorzag van metronoom aanduidingen. Tchaikovsky's briljant georkestreerd muzikaal verhaal loopt volmaakt en bevat meer melodieën die lang beklijven dan van menige andere componist kan worden gezegd. Niettemin was de eerste voorstelling in 1877 een onmiskenbare mislukking. Critici vonden de orkestratie heel origineel en ook de vorm, maar het leek hen moeilijk om daar goed op te dansen. Het werk bleef wel op het repertoire tot1883, maar was wel onderhevig aan allerlei kwalijke ingrepen in de handen van diverse choreografen. Dat ging zelfs zover dat bijna een derde van Tchaikovsky's muziek werd vervangen door balletmuziek van andere, mindere balletcomponisten. Pas twee jaar na de dood van Tchaikovsky in 1893 herleefde het werk in volle glorie. Petipa, de grootste choreograaf uit zijn tijd en Drigo, een balletcomponist van de oude school, gingen aan de slag om het werk te reviseren, maar het werd na hun moeite nog steeds ondansbaar geacht. Tegenwoordig weten we wel beter. De opnamen Helaas maar onvermijdelijk waren niet alle hieronder opgesomde opnamen beschikbaar, maar in essentie stonden wel de belangrijkste en beste op het menu. Tchaikovsky stierf te vroeg om zelf een opname van het ballet te kunnen maken. De weinige beschikbare vroege illustraties van uitvoeringen na zijn tijd suggereren een zekere reserve. Had hijzelf, door zijn broer Modest wat geringschattend een 'semi-amateur' genoemd het beter gedaan? We zullen het helaas niet weten. Stepan Ryabov, de eerste dirigent, was geen succes. Hij was ook slecht toegerust om de essentie uit een partituur te halen die voor verwarring zorgde bij het publiek dat meer gewend was aan 'divertissements' en moeite had met het 'te symfonische' karakter van het ballet. De oudste, momenteel beschikbare opname is van Fistoulari uit 1952. Een ietwat bekorte mono opname die niet is gebaseerd op de oorspronkelijke Deccabanden die leidde tot een opname in de LXT serie, naar nota bene op een paar lp's die werden teruggevonden in een tweede hands winkel in Tokio. Ze zijn netjes opgekalefaterd maar waarschijnlijk zal niemand er nu nog in zijn geïnteresseerd. Fistoulari was wel een uitstekende balletdirigent en hij stond erop dat niet de concertmeester uit het orkest, maar Alfredo Campoli de grote vioolsolo invulde. John Lanchberry, die vaak met Margot Fonteyn en Noerejev samenwerkte, is een oude rot in het vak met dertig jaar ervaring en hij zorgt voor een fijnzinnige, mooie vloeiende vertolking. Het resultaat klinkt hoogst effectief. Deze is niet geheel compleet want de twee identieke nummers die de tweede akte omlijsten zijn weggelaten. Maar er is ook een extra in de vorm van een pas de deux voor de prins en Odile aan het eind van de derde akte die Tchaikovsky na de première toevoegde (alleen op Classics for Pleasure, niet op Naxos). Mark Ermler is een dirigent die veel ervaring opdeed in het Bolshoi theater en daarbij baat haat toen hij het Royal Ballet in Covent Garden ging leiden. Zijn aanpak is echt symfonisch en hij voelt zich niet gedwongen om de tempi van Petipa's choreografie te volgen. Zijn tempi zijn nu nogal aan de brede kant, wat mooi blijkt uit de beroemde wals die hij plooibaar en subtiel afwikkelt. De speelduur is zo'n tien minuten langer dan gemiddeld, maar dat daar in de oorspronkelijke uitgave van de Royal Opera drie cd's voor nodig waren, lijkt onnodig.. Het koper uit het Engelse orkest klinkt pittig Russisch. Ermler moet het werk vaak hebben gedirigeerd in het theater, maar zijn weergave is alles andere als routineus. Ook het Londense balletorkest kan op ervaring bogen en klinkt ongemeen fris en vitaal. Het engagement dat uit deze verklanking spreekt is bijzonder groot. André Previn gaat hierna voortvarender te werk en is het beste in de luchtiger gedeelten en hij heeft een troef met violiste Ida Haendel die haar solo het aanzien van een concert geeft. Hij interpreteert de nationale dansen heel mooi. Seiji Ozawa zorgde voor een vrij lichtvoetige, heel levendige en bij vlagen felle mooie realisatie. Het orkestspel glanst mooi en ook de belangrijke soli slaagden fraai; Ozawa houdt de tempoteugels vrij strak en over het geheel had de vertolking wat meer karakter mogen vertonen. Een aangename verrassing komt van een andere Naxos opname uit onvermoede bron. Het orkest van Lenárd uit Bratislava toont veel gevoel voor drama en speelt in pittige tempi die balletdansers waarschijnlijk in moeilijkheden zouden brengen. Bij de orkestrale solisten blinkt vooral de hoboïst uit. De walsen klinken zwierig en over het geheel mankeert het niet aan finesse. Als de opname niet in de akoestisch minder geschikte Memorial Hall was gemaakt, zou de opname van Wolfgang Sawallisch hogere ogen hebben gegooid. Climaxen klinken wat geforceerd, op het vervormde af, de violen klinken vrij schril, de bekkens overdreven luid. Maar als vertolker doet Sawallisch heel mooie dingen; zijn tempokeus is uitstekend, de soli zijn mooi en het algehele klimaat aangenaam. Jammer van die licht onaangename klank. De opname van Charles Dutoit heeft meteen al het grote voordeel dat hij is gemaakt in de vanwege zijn akoestiek beroemde St. Eustache in Montréal. Tweede niet onbelangrijke punt is dat Dutoit de deeltjes inlast die de componist na de première toevoegde. Dat de uitvoering eerder Frans dan oer-Russisch klinkt, is mogelijk een nadeel, maar daar valt overheen te stappen. Het legt bewust of onbewust een link met de Fransman Petipa. De hier getoonde symbiose van Russische en Franse elementen vormt een grote kracht en zorgt voor de nodige verfijning. Maar ook de felheid, zoals in de 'Russische dans' komt niets tekort. De belangrijke vioolsolo van niemand minder dan Chantal Juillet klinkt hoogst expressief. Aan romantisch gevoel is geen gebrek, getuige de beroemde wals. Maar het werk klinkt als geheel zeer homogeen. Gevoelswarmte en bevalligheid zijn de hoofdkenmerken. Bij Gergiev is te horen dat hij dit ballet vaak begeleidde in het Kirov theater. Wie een felle, snelle, radicale verklanking verwacht, komt bedroegen uit. De aanpak is vrij geserreerd, heel logisch vloeiend in overeenstemming met de verhaallijn. We kunnen het eigenlijk best 'klassiek' en ingetogen noemen. Best mooi, maar de kracht en de spanning hadden best wat opgevoerd mogen worden. Gergiev fans, gewend aan energieke openbaringen, zullen lichtelijk teleurgesteld zijn. Mikhail Pletnev, met het door hem opgerichte orkest, staat allerminst bekend als balletdirigent, maar hij heeft met het ensemble dat hij door en door kent wel een mooie krachtbron ter beschikking. Hij pakt de balletmuziek vlot en vrij luchtig aan. In de solobijdragen schitteren orkestrale solisten (hobo, harp, viool). Hooguit de echte dansritmen komen tekort. Van een echte dramatische ontwikkeling is niet duidelijk sprake, hier gaat het meer om een orkestrale show. Op de naamgeving af te gaan staat Dmitri Yablonsky hetzelfde orkest ter beschikking en balletmatig bezien bereikt hij er eigenlijk mooiere resultaten mee dan Pletnev. En dat tegen een lagere prijs. Ook hier vloeit de adrenaline in heftige stromen, maar is uitstekend gekanaliseerd. De sfeer is toch mooi balletmatig met heel geëngageerd orkestspel waaruit prachtige soli opbloeien. De sfeer is van a tot z gespannen zonder afbreuk aan de charme te doen. De Suite Er is een tweede opname van Fistoulari, nu helaas met alleen fragmenten, curieus genoeg door Australische Decca uitgebracht. In 1960 dirigeerde hij het Concertgebouworkest in deze suite. Een aanrader ondanks de hoge leeftijd. Wie aan de Suite genoeg heeft, is het beste af met de opname van Rostropovitch. Video De Weense opname met Fonteyn en Noerejev in de op Ivanov en Petipa gebaseerde choreografie van laatstgenoemde vormt op dvd gebied eigenlijk nog steeds de gouden standaard. Het ballet is ook prachtig in beeld gebracht en de mooie close-ups zorgen voor veel toegevoegde waarde. Ook de kostuums en de decvors dragen veel bij aan een harmonieus geheel. Van opsmuk is geen sprake. Het aandeel van het orkest is verrassend goed. Een eervolle tweede plaats is er voor de Parijse opvoering met een lyrische José Fernandez en een nogal onderkoelde Agnés Letestu. De choreografie is ook hier van Noerejev, maar nu in gewijzigde vorm waarin het boosaardig manipulatieve karakter van Wolfgang (Karl Paquette) nadrukkelijker wordt belicht. Het eindproduct is in ieder geval geen cliché, maar vertoont interessante oorspronkelijke trekken. Ook de realisatie van het Zweeds ballet is zeer de moeite waard. Voor de choreografie en de aankleding zorgden Peter Wright en Galina Samsova. Ze creëerden een Gothische sfeer vol tragedie wat een terugkeer betekent tot de oorspronkelijke gedachten van Petipa en Ivanov. Anders Nordström en Nathalie Nordquist vormen een volmaakt, heel beeldend dansend paar en het corps de ballet is verrassend homogeen op hoog niveau. Hierna is de Berlijnse registratie van Barenboim een tikje minder geslaagd. Aan dirigent en orkest ligt dat niet, eigenlijk ook niet aan Oliver Matz en Steffi Scherzer, maar wel aan de opvatting van regisseur François Duplat die een vermeende moederbinding plus een overdreven vriendschap met zijn vriend van de prins centraal stelt. Omgekeerd wil de moeder haar zoon ook niet aan een mooie zwaan verliezen. Zo wordt het oorspronkelijke verhaal nogal uit het oog verloren. Conclusie De voorkeur voor Dutoit, Ermler en Yablonsky moge duidelijk zijn; bij de video opnamen staat de Weense productie al jaren stevig op de eerste plaats. Discografie 1952 Londens symfonie orkest o.l.v. Anatole Fistoulari. Decca 442.903-2, Opus Kura OPK 7024/5 (2 cd's). 1958 Suisse romande orkest o.l.v. Ernest Ansermet. Decca440.630-2 (2 cd's). 1960 Concertgebouworkest o.l.v. Anatole Fistoulari. Decca 442.903-2 (2 cd's).Russisch omroeporkest o.l.v. Gennady Rozdestvensky. Melodya 74321-66978-2 (2 cd's). 1978 Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. DG 453.055-2 (2 cd's). 1982 Philharmonia orkest o.l.v. John Lanchberry. Classics for Pleasure CFPD 4727 (2 cd's), EMI 575.759-2 (6 cd's). 1985 USSR Omroeporkest o.l.v. Vladimir Fedoseyef. Olympia OCD 210 (2 cd's). 1988 Russisch Staatsorkest o.l.v. Jevgeni Svetlanov. Melodya 74321-17082-2 (3 cd's). 1989 Omroeporkest Bratislava o.l.v. Ondrej Lenárd. Naxos 8.550246/7, 8.557174 (2 cd's). 1989 Covent Carden orkest o.l.v. Mark Ermler. Royal Opera House Records ROH 301/3 (3 cd's), Sony 88697-57534-2 (2 cd's). 1991 Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Decca 436.212-2 (2 cd's). 1993 Londens symfonie orkest o.l.v. André Previn. EMI 967.684-2 (2 cd's). 2002 Russisch Staats Academisch symfonie orkest o.l.v. Dmitri Yablonsky. Naxos 8.555873/4 (2 cd's). 2007 Orkest van het Mariinsky theater o.l.v. Valery Gergiev. Decca 475.7669 (2 cd's). 2009 Russisch nationaal orkest o.l.v. Mikhail Pletnev. Ondine ODE 1167-2 (2 cd's). .... Nationaal filharmonisch orkest o.l.v. Richard Bonynge. Decca 473.283-2 (2 cd's). .... Londens symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. Sony SB2K 89735 (2 cd's). .... Russisch Staats symfonie orkest o.l.v. Serge Tchaikov. Castle PBXCD 555 (5 cd's). .... St. Louis symfonie orkest o.l.v.Leonard Slatkin. RCA 82876-55707-2 (6 cd's). .... Philadelphia orkest o.l.v. Wolfgang Sawallisch. EMI 585.541-2 (2 cd's). Verkorte uitgaven en Suite 1960 Concertgebouworkest o.l.v. Anatole Fistoulari. Decca 442.903-2. 1978 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Mstislav Rostropovitch. DG 429.097-2, 449.726-2. 1984 Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 747.075-2. Video 1966 Weens symfonie orkest o.l.v. John Lanchberry. DG 073.404-4 (dvd). 1984 Orkest van de Opera Parijs o.l.v. Vello Pähn. Opus Arte OA 0966D (dvd). 1998 Berlijnse Staatskapel o.l.v. Daniel Barenboim. ArtHaus 100.016 (dvd). 2002 Russisch Staats Academisch symfonie orkest o.l.v. Dmitri Yablonsky. Naxos 5.110005 (dvd). 2002 Koninklijk Zweeds Opera orkest o.l.v. Michel Quéval. BBC/Opus Arte OA 865D (dvd). .... Philadelphia orkest o.l.v. Wolfgang Sawallisch. VAI VAIDVD 100.713 (dvd). .... Orkest van La Scala, Milaan. TDK DV-WWBL (dvd). .... Bell Telephone Hour orkest o.l.v. Donald Voorhees. VAI VAIDVD 4221 (dvd). .... Deens omroeporkest. ArtHaus 100.438 (dvd). |
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site
