VERDI: FALSTAFF

VERDI: FALSTAFF

 

Rossini merkte ooit op dat Verdi “te melancholiek en te serieus” was om een komedie te kunnen schrijven. Verdi’s rake antwoord kwam pas aan het eind van zijn leven. In zijn tachtigste jaar ging in 1893 zijn opera Falstaff in Milaan in première, een werk dat getuigt van een geestigheid en een joie de vivre die men eerder van een jongeling zou verwachten. Een opera ook die als illustratieve ondertitel ook de uitdrukking Boontje komt om zijn loontje had kunnen meekrijgen.

 

Achtergronden

Om te beginnen: wie was Sir John Falstaff, de komische held in Shakespeare’s Henry IV en later nog eens door hem op verzoek van koningin Elizabeth ten tonele gevoerd in The merry wives of Windsor? Het is zeer goed mogelijk dat Shakespeare op zijn beurt deze figuur ontleende aan Ser Giovanni Fiorentino’s Il pecorone, een 14e eeuwse verhalenbundel die in 1558 werd gepubliceerd. Falstaff is het prototype van de snoevende soldaat, volgens Samuel Johnson een corpulente, snoevende zwetser, gulzigaard, lafaard en dief wiens fouten graag worden vergeven omdat hij voortdurend pret maakt en in wezen heel goedhartig is. Zo werd de feitelijk virtuele figuur Falstaff enorm populair als komische held en werd zijn naam opgenomen in het spraakgebruik. Aanvankelijk had Shakespeare de naam van sir John Oldcastle (overleden in 1417) gekozen, maar na protest van de familie verving hij die naam door die van sir John Falstoff (ca. 1382 – 5 november 1459) uit Norfolk, een verbitterd man die in zijn latere leven werd afgeschilderd als wreed, wraakzuchtig en genadeloos. Deze historische Falstoff vertoont geen enkele gelijkenis met de door Shakespeare geschapen fantasiefiguur die met name dankzij een stel opera’s populair is geworden. Behalve Verdi portretteerden namelijk ook Papavoine (1761), Ritter (1794), Dittersdorf (1796), Salieri (1799), Balfe (1838) en Adam (1849) hem in operavorm, terwijl de bekendere Nicolai zijn Die lustigen Weiber von Windsor in 1849 schreef; in Shakespeare’s vaderland leefde de stof begrijpelijk genoeg voort: Elgar wijdde in een ‘symfonische studie’ aan hem in 1913, Holst kwam in 1923 met zijn eenakter The perfect fool en Vaughan Williams zijn opera in vier akten Sir John in love (1924/9).

Iedere rechtgeaarde operaliefhebber weet dat Falstaff Verdi’s laatste opera is, maar waarschijnlijk weinigen zullen beseffen hoe verschillend zijn houding tot dit werk en zijn voorganger Otello was in vergelijking met zijn vorige werken tot en met Aida. Gedurende zijn hele werkzame leven had Verdi zichzelf vooral beschouwd als vakman die tegen betaling naar beste vermogen bestellingen leverde. Dat geldt beslist niet meer voor Otello en Falstaff. Tegen de tijd dat hij aan die werken begon zag niet alleen hijzelf, maar ook het publiek hem als iemand die zijn loopbaan had beëindigd. Hij was de zeventig gepasseerd, zijn gezondheid liet te wensen over, hij twijfelde aan zichzelf, had depressies en hij beschikte over genoeg geld om in al zijn behoeften te voorzien. Hij maakte er ook geen geheim van liefst met rust te worden gelaten.

Als hij niet bevriend was geraakt met Boito, als zijn vrouw Giuseppina hem niet had gestimuleerd en als zijn uitgever Giulio Ricordi niet zo had aangedrongen, hadden we waarschijnlijk Verdi’s laatste meesterwerken moeten missen. Het psychologische verschil wordt waarschijnlijk bepaald door het besef dat Verdi zelf deze werken als privé-bezit beschouwde. Hij weigerde te garanderen dat ze ooit klaar zouden komen, hij behield zich het recht voor om ze zelfs na de generale repetitie terug te nemen en hij zag ze beide als experimenten bij wijze van nuttig tijdverdrijf. En tenslotte raakte hij er zeer aan gehecht. Op 9 februari 1893 ging Falstaff in de Milanese Scala met succes in première.

Wie zijn naast Falstaff zelf de dramatis personae? Zijn boefachtige bedienden en helpers, de comprimario’s Bardolfo en Pistola. Dan zijn tegenspeler Ford met zijn vrouw Mistress Alice Ford, verder de andere twee ‘lustige vrouwtjes’, Mistress Quickly en Mistress Meg Page, het jonge liefdespaar Nannetta Ford en Fenton en tot slot de beledigde Dr. Cajus aan wie Nannetta oorspronkelijk op wens van haar vader had zullen worden uitgehuwelijkt. De hele handeling is in één zin samen te vatten: het gaat om de vergeefse pogingen van Falstaff om tegelijk Alice Ford en Meg Page te verleiden. De gevolgen en bijkomstigheden krijgen alle aandacht, waarbij het jonge liefdespaar Nannetta en Fenton laat zien hoe het wèl moet.

Het gaat in wezen om een plot dat kaleidoskopisch voortdurend verschuivende illusies en werkelijkheden toont. Falstaff en zijn beide metgezellen lijken voortdurend het initiatief te hebben, de touwtjes in handen te hebben, maar in wezen zijn het de vier vrouwen die steeds de regie voeren.

In dit werk heeft Verdi feitelijk alle formele beperkingen en methodes uit zijn eerdere tijd opzij gezet om in de ware betekenis van het woord een doorgecomponeerde opera te scheppen. Als met een pas op zijn oude dag opkomende wijsheid heeft de grote man Verdi uit het kleine dorp Roncole bij Bussetto via Shakespeare de dikzak Falstaff ontdekt die in Windsor zijn streken uithaalt en wiens diverse vrouwen hem danig op zijn nummer zetten. Een werk, een komedie die nooit alleen maar frivool aandoet en dat zijn loopbaan perfect samenvat.

Frappant is misschien dat Verdi zich in dat andere late werk, Otello uit 1887 als het zeer dramatische pendant van Falstaff, ook – na zijn Macbeth als enige andere - op Shakespeare en de samenwerking met librettist Boito baseerde en voor een karakterkomedie niet koos uit de rijkelijk voorhanden Franse (Molière) of Italiaanse (Goldoni!) literatuur. Hoe graag had hij ook de stof van King Lear, Hamlet en met name The tempest tot opera willen transformeren. Overigens heeft Verdi in eerdere werken best al blijk van humoristische trekken gegeven. Denk aan de cholerische Fra Melitone uit La forza del destino, aan de page Oscar uit Un ballo in maschera en aan komische taferelen uit het jeugdwerk Un giorno di regno.

Het libretto van de zich rond 1400 in Windsor afspelende handeling werd door Verdi’s vriend Arrigo Boito bondig samengesteld uit tamelijk wijdlopige teksten uit Shakespeare’s twee genoemde toneelstukken; het leeuwendeel uit The merry wives of Windsor met daarin opgenomen brokken Henry IV, zoals de beroemde monoloog over de eer en de toespeling op Bardolfo’s rode neus. Bovendien is Falstaff zelf bij Boito wat subtieler en waardiger: meer de man uit Henry IV dan die uit The merry wives.

Een niet gering deel van Boito’s prestatie bestaat uit zijn verwerking – het indikken - van Shakespeare’s farce, uit de kunst van het weglaten dus. Zo is om te beginnen het aantal optredende personen en gebeurtenissen gereduceerd. Wie het stuk van Shakespeare kent, zal George Page missen (Nannetta Page wordt daardoor Nannetta Ford), evenals Robert Evans en Abraham Shallow; de Cajus bij Verdi is een soort amalgaam van Shakespeare’s Evans en Shallow. Falstaff brengt ook maar twee in plaats van drie beproevingen (de wasmandscène die is ontleend aan het weggelaten gedeelte en het bos van Windsor). Ford, in vermomming als Brook, komt hier als Signor Fontana maar één keer op bezoek bij Falstaff. Maar de leukste vondst is de liefdesbetuiging van Fenton en Nannetta die bij Shakespeare ontbreekt. Fraai ook het gedoe met het scherm in de tweede akte en misschien wel als mooiste vondst de slotscène waarin alle figuren niet als vertolkers van een rol, maar als zichzelf naar voren treden om de markante slotfuga te zingen. Dit is als het ware een terugkeer naar de oude Italiaanse opera buffa. Falstaff is trouwens ook een ensembleopera bij uitnemendheid; in lange gedeelten spelen de stemmen elkaar motieven en motiefjes over en weer toe.

In tegenstelling tot zijn vroegere gewoonte accepteerde Verdi dat libretto met een paar wijzigingen en coupures zoals het hem werd aangereikt. De Commedia lirica kan zelfs worden gezien als een dialoog van Verdi met zichzelf. De tragicus plaatste zijn stijl parodistisch tussen aanhalingstekens. De heetgebakerde jaloezie van Ford wordt wanneer deze zijn vermeende rivaal opzoekt tot een komische variant van de razernij van Otello. Wanneer Verdi bijvoorbeeld aan het begin van het tweede tafereel Alice de liefdesbrief van Falstaff voorleest ‘E il viso tuo su me resplenderà’ staat daar in de partituur bij ‘con caricatura’ als blijk van zelfironie. Parodie is het kenmerk van Falstaffs ontmoeting met Alice in de tweede akte wanneer hij zich als cavalier van de oude stempel gedraagt en zich aan Rossini- en Donizettiachtige coloraturen waagt in ‘Alfin t’ho colto/Raggiante fior’.

Muzikaal bezien werd hier de inspiratie van de oude meester met voortreffelijk resultaat tot nieuw leven gewekt. Het orkest speelt hier een veel belangrijker rol dan gewoonlijk, het beperkt zich niet tot het leggen van een harmonisch- of sfeerfundament, maar neemt direct deel aan de handeling, aan het algemene parlando en levert zo commentaar of een karikatuur. Dat alles heel doorzichtig georkestreerd met veel solistische bijdragen van de blazers. Niet zelden wordt men aan Rossini herinnerd. Fraaie voorbeelden zijn de liefdesscènes van Nannetta en Fenton en de elfenmuziek aan het eind. De verantwoordelijke dirigent moet voor een haast Haydnesk lichte toets zorgen.

Vernieuwing van de komische opera betekende voor Verdi primair vernieuwing en psychologische rechtvaardiging van de vorm. Een eerste vormgevend element is de harmoniek. Toonsoorten met weinig kruisen en mollen domineren. Hier en daar wordt men zelfs aan Mozart herinnerd: Nannetta als een soort Susanna uit Le nozze di Figaro in haar laatste optreden en wanneer Dr. Cajus en de verklede  Bardolfo van hun vermeende rendez-vous terugkeren. Meer nog, ook in de ensembles behoudt iedere figuur zijn eigen karakter, ritme en kleur en wordt onderscheid gemaakt tussen de diverse ‘interessegroepen’.

In Verdi’s muziek zijn nu ineens uitgesproken Beethoveniaanse eigenschappen te vinden. Die muziek heeft een fris en spontaan karakter, bevat nauwelijks herhalingen en is knap, helder georkestreerd. Net als in zijn opera Otello valt Verdi in Falstaff met de deur in huis: geen ouverture, zelfs geen voorspel om de luisteraar vast met wat markante thema’s bekend te maken of tenminste een bepaalde stemming te scheppen. Nee, we belanden meteen in de Garter Inn (de Kousenband herberg) waar de oude Dr. Cajus de dikke ridder de les leest. Na dat vrij turbulente begin krijgt de muziek nauwelijks tijd om tot rust te komen behalve voor de passages waarin de jonge gelieven de hoofdrol spelen en de magie van het nachtelijke slot van de derde akte.

Wat valt verder op? Bijvoorbeeld het ontbreken van gestandaardiseerde aria’s of cavatine’s met herhaalde cabaletta, schematische duetten. In plaats daarvan quasi declamatorische partijen die hier en daar uitgroeien tot gracieuze ariosi, korte liederen of langere, ambitieuzere monologen. Het gaat hier ook om Verdi’s laatste theaterstuk dat dus wèl pas zijn eerste komische opera is, een stuk dus vol vrolijke momenten en waarin – bij uitzondering – geen doden vallen en het kooraandeel gering is. Dat vertegenwoordigt bij toerbeurt de buren, feeën en elfjes, geesten en duvels. Alleen Fenton, als jeugdige minnaar de conventioneelste persoon, krijgt een ironisch door de harp begeleide aria met drie coupletten. Falstaff zelf geeft slechts monologen ten beste.

 

Een paar van de bekendste fragmenten zijn:

‘Ehi! Paggio – L’Onore! Ladri!’ Falstaffs monoloog uit de eerste akte.

‘E sogno? O realtà’ de monoloog van Ford uit de tweede akte.

‘Quand’ero paggio’ het trio van Alice, Falstaff en Quickly uit de tweede akte.

‘Dal labbro il canto’ het kwintet van Alice, Fenton, Nannetta, Quickly en Meg uit de derde akte.

‘Sul fil d’un soffio etesio’ de aria van Nannetta uit de derde akte.

Hoogtepunten zijn telkens de ensembles.

 

Het geheel van de ‘lyrische komedie in drie akten’ nog eens overziend, valt op dat een aantal thema’s dat Verdi zijn leven lang bezighield hier nog één keer een bijzondere expressie kreeg: zijn bewondering voor Shakespeare, zijn wantrouwen jegens een wispelturig publiek, zijn genereuze menslievendheid, zijn tere gevoelens voor ontluikende liefde, zijn respect voor vakmanschap, zijn professionaliteit en zijn instinctieve theatergevoel.

De opnamen

De oudste volledige opname dateert uit 1932 en werd in de Scala in Milaan gemaakt met Lorenzo Molajoli aan het hoofd van een goed ingespeelde, geheel Italiaanse bezetting. De titelrol werd gezongen door Giacomo Rimini die meteen een soort gouden standaard vestigde. Pia Tassinari en Rita Monticone als Alice Ford en Meg Page complotteren geloofwaardig tegen de amoureuze ridder en klinken ‘lustig’, zij het wat schril. Ines Alfani-Tellini is een innemende Nannetta met alleen en wat te kleine stem, Fenton een innemend elegante Fenton.

In 1937 volgde de eerste opname van Arturo Toscanini, die als geen ander vertrouwd was met Verdi’s werk dat hij sinds 1898 aan de Scala dirigeerde. Vooral aan Toscanini die het werk talloze malen in operatheaters her en der in de wereld dirigeerde, is de status van Falstaff als een van Verdi’s grootste meesterwerken te danken. Hij voerde het stuk bijvoorbeeld tijdens het Salzburg festival uitvoerde dat jaar uit wat door de omroep is geregistreerd. Als Falstaff had hij de latere veteraan Mariano Stabile ter beschikking, die deze rol onder Toscanini voor het eerst in 1921 zong en dat gedurende de dertig volgende jaren nog 1200 maal deed. Hier was hij achter in de veertig en in topvorm, zodat hij geen nuance van zijn rol mist. De rest van de weer geheel Italiaanse bezetting – en dan met name Dino Borgioli’s Fenton – profiteerden van Toscanini’s verwevenheid met het werk en de discipline die hij eiste.

In 1941 was Stabile opnieuw present, nu in Milaan bij Tullio Serafin voor een opname van de Romeinse omroep. Weer een prachtig ingevulde rol, maar minstens zoveel aandacht gaat uit naar Tito Gobbi als Ford. De toen jonge bariton zingt heel vitaal en samen vormen ze een inspirerend koppel. Ferruccio Tagliavini is een markante Fenton, maar helaas ontbreekt zijn solo uit de 3e akte. De overige leden van de bezetting stammen uit de Salzburgse opname en weren zich voortreffelijk.

Uit 1949 dateert allereerst een registratie uit de New Yorkse Met waar precisiefantaat Fritz Reiner aan het roer stand. Hij zorgt voor een passend Verdiaanse felheid en een aangenaam lichte aanpak zover dat door de zeer matige geluidskwaliteit te onderscheiden is. Leonard Warren is een joviale, geestige Falstaff, Giuseppe Valdengo (ooit bij Toscanini in de titelrol; net als een Tito Gobbi is hij in beide rollen even goed thuis) is een vitale Ford. De vrolijke vrouwtjes, aangevoerd door een dartele Regina Resnik (die later in haar loopbaan een markante Mrs. Quickly werd) en met Cloë Elmo als ideale Mistress Quickly, een rol die ze vaak herhaalde, maar zelden zo fraai als hier. Een andere aangename verrassing is de destijds 27-jarige Giuseppe di Stefano met een zilverkleurige stem als Fenton. Licia Albanese valt wat tegen als Nannetta.

De tweede opname uit 1949 komt uit het archief van de Turijnse omroep en was ooit op Cetra verkrijgbaar. Mario Rossi is de niet te onderschatten dirigent en Giuseppe Taddei (toen 33) een ideale Falstaff: wat plomp van toon, maar heel geslepen en geestig van expressie. Rosanna Carteri is een zeer innemende Alice, verder zijn daar een goede Ford van Saturno Meletti en een betere Fenton van  de onbekend gebleven lyrische tenor Emilio Renzi. De veterane Lina Pagliughi vertolkt een nog heel jeugdig klinkende Nannetta en de comprimariorollen zijn prachtig ingevuld.

Een jaar later, in 1950, ontstond wat jarenlang als dè opname van deze opera gold: de studioproductie van RCA met de inmiddels 84-jarige Toscanini. Hij toont hier alle genegenheid, spontane opwinding die men kan wensen en zorgt voor een volmaakte realisatie. Giuseppe Valdengo in de titelrol heeft de tijd van zijn leven, getrouw aan Verdi, qua toon en verbaal heel genuanceerd te werk gaand en zonder meer de evenknie van Stabile en Taddei. Frank Guerrara is een kernachtige, levendige Ford, Cloë Elmo wederom een ideale Mistress Quickly. Zij steken met kop en schouders boven de wat routineuze overige bezetting uit, maar die draagt niettemin aanzienlijk bij tot de flair van de ensembles. Zelden werd zoveel brio getoond.

In 1952 horen we Stabile voor het laatst als Falstaff, nu in de Scala waar ditmaal Victor de Sabata het werk energiek en met veel precisie dirigeert. Stabile’s stem is niet meer volmaakt, maar hij weet dat met wat trucjes fraai te compenseren en zijn stemkleuring blijft iets unieks. De rest van de bezetting laat weinig te wensen over met een lachende Alice van Renata Tebaldi, een grinnikende Mistress van – opnieuw – Cloë Elmo, een stijlvolle Fenton van Cesare Valletti en een Nannetta met veel karakter van Rosanna Carteri. Enige tegenvaller is de wat te anonieme Ford van Paolo Silveri. De lokale comprimario’s klinken authentiek.

We maken een sprong naar 1956, het begin van het stereotijdperk. Toen maakte Karajan met een uitgelezen team zijn nog altijd tot de mooiste behorende opnamen voor Engelse Columbia. Producer Walter Legge had alles tot in de puntjes voorbereid en de bezetting was met grote zorg gekozen. Karajan opteert niet voor Toscanini-achtige snelle tempi en gaat weloverwogener, verfijnder maar met behoud van de gewenste levendigheid te werk. Misschien bezit Tito Gobbi, hier in de titelrol, niet zo’n milde, ronde toon als Stabile of Valdengo, maar hij compenseert dat met een spontane tekstduiding en een volledige identificatie met zijn rol. Hij geeft gezicht aan het vocale beeld. Rolando Panerai zingt hier en zijn eerste en feitelijk beste Ford, heel pakkend en veelzijdig agerend. Ook al klinkt ze nauwelijks echt Italiaans: Schwarzkopf maakt indruk met haar uitingen van sluwheid als Alice Ford. Prachtig idiomatisch de Meg van Nan Merriman, maar het is in feite Fedora Barbieri die de show bij de dames steelt als fantastisch geloofwaardige Mistress Quickly. Anna Moffo is een goede Nannetta, maar had meer van die rol kunnen maken en Luigi Alva is een fijnzinnige, elegante Fenton. Het orkestaandeel klinkt milder, verfijnder dat van de meeste hierboven genoemde typische operaorkesten.

In 1963 maakte Georg Solti zijn eerste Falstaff opname in Italië en veel van deze realisatie herinnert aan Toscanini: de vertolking heeft zwier en vaart. Geraint Evans – destijds de heersende Falstaff in Londen en Glyndebourne – zorgt voor een mooie, geestige karaktertekening van zijn rol, maar kan ook qua uitspraak zijn niet-Italiaanse afkomst niet helemaal verloochenen. Robert Merrill zingt prachtig als Ford, maar blijft de rol wat aan karakter schuldig. Het sterkste punt van deze opname wordt gevormd door de merry wives en het jonge liefdespaar. Ilva Ligabue is een van de beste Alices ooit, Rosalind Elias als Meg doet nauwelijks voor haar onder en Giulietta Simionata strijdt met Fedora Barbieri (bij Karajan) om de eer wie het overtuigendst is. Een jonge Mirella Freni is een natuurkind als Nannetta en haar wordt vurig het hof gemaakt door een geweldige Alfredo Kraus als Fenton.

Spijtig dat de Falstaff die Leonard Bernstein met groot succes als nieuwe publiekslieveling in 1966 in Wenen bij de Staatsopera gaf en die door CBS op lp werd vastgelegd nooit door Sony op cd is heruitgebracht. Deze uitvoering verenigt namelijk het beste van twee werelden in zich: de precisie en perfectie van een studioproductie en de spontaniteit en inzet van een ‘live’ opvoering. Het enige dubieuze element, de enige teleurstelling is de controversiële deelname van Dietrich Fischer-Dieskau als Falstaff. Hij in zeer on-Italiaans en dermate fanatiek wat het detail betreft dat de grote lijnen zoek raken. Het ontbreekt hem ook aan echte basondertonen. Ilva Ligabue herhaalt een prachtige Alice, Rolando Panerai is weer een schier volmaakte Ford. Regina Resnik is hier nu Quickly; heel individueel van timbre, fraai karakteriserend. Graziella Sciutti en Juan Oncina vormen een treffend liefdesstel, maar hun stemmen verraden lichte slijtagesporen.

Veertien jaar verstreken totdat Karajan, inmiddels 72, zich – ditmaal op basis van een productie in het Salzburg festival – in 1980 aan een tweede Falstaff waagde. Zijn tempi zijn langzamer, er is minder esprit, de orkestklank is te zeer gehomogeniseerd. De beide hoofdrollen zijn eens temeer in handen van Giuseppe Taddei en Rolando Panerai die er natuurlijk ook niet jonger op zijn geworden, wat hoorbaar is. Op de levendige, geloofwaardige Alice van Raina Kabaivanska na is de rest van de bezetting nogal teleurstellend. Een tegenvallend geheel derhalve.

Nog weer een heel andere, veel herfstiger, bezonnener sfeer ademt de opname die Carlo Maria Giulini in Los Angeles maakte voordat hij ermee naar Covent Garden kwam in 1982. De aanpak is haast al te serieus en het werk ontrolt zich wat traag. Voeg daarbij – op zich passend – een nogal introspectieve Falstaff van Renato Bruson en een haast te waardige Ford van Leo Nucci. Deze uitvoering wordt gered door de inbreng van de dames. Katia Ricciarelli is weer eens zo’n vrijwel volmaakte Alice, Brenda Boozer een amusante Meg en Lucia Valentini-Terrani een niet te verachten Quickly. Beheerst en puur, maar niet erg sensueel zingt Barbara Hendricks Nannetta, haar minnaar Fenton met zijn gouden stem is overtuigender.

Ook geen van de opnamen uit het begin van de jaren negentig maakt een echt blijvend bevredigende indruk. Allereerst is daar Colin Davis in 1992. Davis dirigeert het werk liefdevol en onderstreept de humane aspecten, maar is in zijn aanpak net als Giulini wat al te beschouwelijk, gaat zonder duidelijke opvatting over doel en richting te werk. Rolando Panerai komen we ditmaal tegen in de titelrol, die hij wel karakter verleent maar weinig subtiliteit. Op den duur gaat zijn blaffende stijl irriteren. Ook niet van voordeel is dat de rest van de bezetting voornamelijk uit Amerikanen bestaat. Marilyn Horne is een te zelfbewuste Mistress Quickly. Eigenlijk alleen Frank Lopardo’s soepele, lyrische Fenton valt positief op.

Solti’s tweede versie uit 1993 ontstond primair vanuit de behoefte een operafilm te maken. Deze ontstond tijdens een Berlijnse opvoering waarin het mogelijk niet optimaal voorbereide Berlijns filharmonisch orkest weinig italianatà uitstraalt. Saaiheid is troef bij José van Dam en eigenlijk geen van de andere zangers toont nuttige inzichten in hun respectievelijke rollen. Een bittere teleurstelling.

Al op louter opnametechnische gronden – een vaag, afstandelijk, te globaal klankgemiddelde – valt een andere productie uit 1993 af. Riccardo Muti toont in de Scala een zonnige, warmbloedige maar voor zijn doen haast te ontspannen kijk op het werk. Het resultaat klinkt heel lyrisch en het orkest weert zich danig. Maar de nekslag voor het welslagen is de anoniem blijvende, ééndimensionale Falstaff van Juan Pons. Jammer want van andere solisten komen fraaie bijdragen: de spirituele Alice van Daniella Dessi, de onoverdreven mild lachende Mistress Quickly van Bernadette Manca di Nissa, de gracieuze, vurige Fenton van Ramón Vargas.

In 1996 bracht het goedkope label Naxos een productie van het Hongaars Staatstheater met merendeels Italiaanse zangers uit. Domenico Trimarchi kan meer bewonderd worden om zijn voortreffelijke vocale acteren dan om zijn ietwat dubieuze stemkwaliteit. Roberto Servile zorgt voor een Ford met ‘smoel’ en Anna Maria di Micco’s Quickly behoort tot de levendigste op cd. Op de rest van de bezetting is niets aan te merken en dirigent Will Humburg oogst veel succes met de aandacht die hij schenkt aan de komische kanten van het werk.

Twee jaar later, in 1998, verraste barokspecialist John Eliot Gardiner met een realisatie waarover kennelijk diep was nagedacht. Het gaat hier om het resultaat van een reeks semi-scènische opvoeringen die hij dat jaar in diverse centra verzorgde. Het is de enige versie met ‘oude instrumenten’ en deze heeft als voordelen een frisse, ontraditionele aanpak, zorg voor het detail, een getransplanteerde barok drive, maar eveneens aandacht voor de herfstiger kanten van de opera. Daar staan als nadelen een soms wat kale, metalige klank en een hier en daar jachtige aanpak, het ergst in Nannetta’s solo. Jean-Pierre Lafont is een wat nuchtere, maar joviale Falstaff en Anthony Michaels-Moore een wat schuchtere Ford. Beiden laten horen geen Italiaanse achtergrond, onvoldoende temperament te hebben. Des te groter is het contrast met de Quickly van Sara Mingardo, de overtuigendste deelneemster aan het geheel. Ook de beide gelieven kunnen er behoorlijk mee door zonder topprestaties te leveren.

In 2001 baseerde Claudio Abbado zich op opvoeringen tijdens het Salzburg festival. Hier speelt het Berlijns filharmonisch wel met duidelijk Italiaanse trekken. Abbado herinnert wat aan Toscanini, is ook energiek, vloeiend, helder, geen moment dralend in de rustiger momenten. Bryn Terfel zou een geheel geloofwaardige, uit de kluiten gewassen, zwierige driedimensionale Falstaff zijn geweest als hij minder zelfbewust was opgetreden. Hoe mooi hij ook de pompeuze, zowel als de kwetsbare kanten van zijn rol laat uitkomen, ook hij verraadt geen Italiaanse wortels te hebben. Bovenal heel intelligent klinkt de Ford van Thomas Hampson, maar zijn stem is wat te licht en lijkt teveel op die van Terfel. Alle lof zonder enige restrictie voor de betrekkelijk onbekende Adrianne Pieczonska als Alice en Stella Doufexis als Meg: prachtige uitbeeldingen. Larissa Dyadkova is een wat grofbesnaarde Quickly; Dorothea Röschmanns Nannetta en Daniil Shtoda’s Fenton klinken lieflijk, maar niet erg doorleefd. Misschien had de hele verklanking wat geestiger en spontaner kunnen zijn.

 

Falstaff vervreemd in Duits en Engels

De tijd dat in Duitstalige theaters alle opera’s in Duitse vertaling werden gezongen, is gelukkig voorbij. Anders in Engeland, waar juist meer aandacht wordt geschonken aan Engelstalige opvoeringen. Van beide is een voorbeeld voorhanden. Het zijn nu niet meer dan curieuze voetnoten in de fonografische Falstaff geschiedenis, al dient gezegd dat Hans Hotter een opmerkelijk genuanceerde Falstaff zingt en Arno Schellenberg met zijn lichtere bariton een fraaie Ford is; de ‘merry wives’ maken een intelligente, vlotte indruk.

De recente, prachtig opgenomen Engelse versie is daarentegen in muzikaal opzicht nogal bleekjes uitgevallen. De zangers kunnen zich te weinig van hun stiff upperlip ontdoen lijkt. Het ontbreekt aan sprankeling, aan individualiteit. Niet meer dan een curiosum derhalve.

 

De versies met beeld

Falstaff is uitstekend en opvallend vertegenwoordigd op het beeldvlak. Dat begint in 1977 met een door John Pritchard gedirigeerde vlotlenige Glyndebourne opvoering die door een lichtelijk oververhitte indruk wekkende Jean-Pierre Ponelle is geregisseerd. Maar beeld en geluid zijn van een haast niet meer aanvaardbare kwaliteit.

Ook op film komen we de opnieuw heel spirituele, vlotte Georg Solti nog een keer tegen, ditmaal in 1979 in Wenen, waar Götz Friedrich regie voerde voor een openlucht voorstelling met onvoorspelbare, dubieuze resultaten. Het betekent bijvoorbeeld dat de zang achteraf lipgesynchroniseerd is. Gabriel Bacquier is een heel geloofwaardige Falstaff, maar de rest van de bezetting is maar matig op de aantrekkelijke Fenton van Max-René Cosotti na.

In 1983 gaf Carlo Maria Giulini een in Los Angeles voorbereide reeks voorstellingen in Londen. Gedegen, innemend, wat traag en met Renato Bruson opnieuw als een wat roestige, al te serieuze Falstaff. De datzelfde jaar in Salzburg ontstane verfilming van een Karajan ‘totaalproductie’ is het facsimile van de audiopresentatie, maar de beeldregie is pover. In elk geval ook geen succes.

In 1999 werd de Glyndebourne productie, liefdevol en uitgesproken lyrisch door Haitink gedirigeerd keurig vastgelegd. Graham Vick’s wat koortsige regie blijft omstreden; de bezetting is van zeer wisselend niveau en Terfel is opnieuw een haast meer dan levensgrote, te dominante Falstaff.

Wat bij Davis’ tweede opname (2003) vooral opvalt is de mousserende inbreng van het orkest. Dat het om een zaalregistratie met publiek van een concertante uitvoering gaat, zal hier ongetwijfeld aan hebben bijgedragen. Hij beschikte met de als Falstaff zeer geloofwaardige Pertusi, met een pittige mistress Quickly van Jane Henschel, een prachtig boevenstel van Hoare en Jeffrey, een gelikte Caius van Elliott, een innemend liefdsepaar van Moreno en Bezdüz over een heel goed, homogeen stel solisten. Alvarez (Ford) en Domashenko (Meg) vallen in verhouding wat weg, maar overtuigen ook.

De beide nieuwste dvd-v versies ontstonden beide in 2001. De ene stamt van het festival in Aix-en-Provence en gaat visueel roemloos onder tengevolge van regisseur Herbert Wernicke’s deconstructie pogingen: het werk lijkt nu circa 1910 in de V.S. te spelen en de tegenstellingen tussen zwart en wit zijn er met de haren bijgesleept. Willard White als kleurling krijgt een wezensvreemde rol opgedrongen. Het enige lichtpunt is de Nannetta van Miah Persson. De rest van de bezetting is onervaren en ageert tamelijk wezenloos. Ook dirigent Enrique Mazzola overlaadt zich bepaald niet met roem.

Nee, dan de opvoering van regisseur Ruggero Cappuccio en dirigent Riccardo Muti in het theatertje uit Verdi’s geboorteplaats Busseto! Het gaat om een replica van een door Toscanini in 1913 daar in het Teatro Verdi gegeven voorstelling met dezelfde decors. Het oogt wat petieterig en ouderwets, maar is in wezen een weldaad na zoveel opgeblazen, vervreemdend werkende moderne producties. Cappuccio presenteert de opera op hoogst natuurlijke, eenvoudige, ongeforceerde wijze en iedereen lijkt zich kostelijk te amuseren. Muti lijkt ook extra gemotiveerd en geïnspireerd. De 31-jarige Ambroglio Maestri is het voortreffelijke Italiaanse antwoord op Glyndebourne’s en Salzburgs Terfel: een jonge zanger die met succes een oudere man speelt, maar de Italiaan hangt niet de ster uit, is geheel opgenomen binnen het ensemble, gaat zich niet te buiten aan vulgaire overdrijving. Roberto Frontali maakt van Ford een duidelijke karakterrol en frappeert als zodanig zeer. Het paar wordt omgeven door een stel voortreffelijke vrouwtjes: Barbara Frittoli als complotterende Alice, Caterina Antonacci als geestige Meg en Bernadette Manca di Nissa als serieus te nemen Quickly. Inva Mula en Juan Diego Flórez vormen een fraai zingend, innemend liefdespaar en ook de comprimario’s tonen voortreffelijk niveau. Een waar feest, deze realisatie.

Met zoveel mooie, maar vaak op een enkel punt gehandicapte interpretaties bij de hand, is het spijtig dat men uit die veelheid geen ideale bezetting met eigentijdse geluidskwaliteit kan smeden. Die zou bijvoorbeeld bestaan uit Stabile, Taddei of Maestri als Falstaff, Gobbi of Panerai als Ford, Ligabue of Ricciarelli als Alice, Elmo of Barbieri als Quickly, Elias als Meg, Valletti als Fenton en de jonge Freni als Nannetta. Jammer, maar helaas……

 

Conclusie

Gebaseerd op overwegingen van zo optimaal mogelijke directie, orkestspel, zangers, ensemble en vooral ook geluidskwaliteit is de uitvoering van Abbado – haast Terfel ten spijt – de meest aanbevelenswaardige. De tweede, ‘concertante live’ LSO opname van Davis uit het Londense Barbican Centre is in orkestraal opzicht, want met zoveel esprit en tongue in cheek gespeeld het mooist en biedt ook heel goede prestaties van de zangers. In wezen nog wat beter, homogener met beeld èn geluid is Muti op dvd-v. Wie op een koopje van Falstaff wil genieten, kan goed bij Humburg terecht. Maar wie geen supereisen aan het geluid stelt, moet zeker ook veel genoegen beleven aan de oudere uitvoeringen van Karajan (EMI), Toscanini (RCA), Rossi (Preiser) en De Sabata (Music & Arts).

 

Discografie

Rangschikking alfabetisch op dirigentnaam

Bryn Terfel, Thomas Hampson, Adrianne Pieczonka, Larissa Diadkova, Stella Doufexis, Daniil Shtoda, Dorothea Röschmann met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 471.194-2 (2 cd’s). 2001

 

Dietrich Fischer-Dieskau, Rolando Panerai, Ilva Ligabue, Regina Resnik, Hilde Rössl-Majdan, Juan Oncina, Graziella Sciutti met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. CBS 77392 (3 lp’s). 1966

 

Rolando Panerai, Alan Titus, Sharon Sweet, Marilyn Horne, Quittmeyer, Frank Lopardo, Julie Kaufmann het het Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Colin Davis. RCA 09026-60705-2 (2 cd’s). 1992

Michele Pertusi, Carlos Alvarez, Ana Ibarra, Maria José Moreno, Bülent Bzdüz, Jane Henschel, Marina Domashenko, Alasdair Elliott, Peter Hoare en Darren Jeffrey met het Londens symfonie orkest en –koor o.l.v. Colin Davis. LSO Live LSO 0055 (2 cd’s). 2003

Jean-Philippe Lafont, Anthony Michaels-Moore, Hillevi Martinpelto, Sara Mingardo, Eirian James, Antonello Palombia, Rebecca Evans met het Orchestre révolutionaire et romantique o.l.v. John Eliot Gardiner. Philips 462.603-2 (2 cd’s). 1999

Renato Bruson, Leo Nucci, Katia Ricciarelli, Lucia Valentini Terrani, Brenda Boozer, Dalmacio Gonzalez, Barbara Hendricks met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. DG 410.503-2 (2 cd’s). 1982

Domenico Trimarchi, Roberto Servile, Julia Faulkner, Anna Maria di Micco, Anna Bonitatibus, Maurizio Comencini,  Dilbèr met het Ensemble van de Hongaarse Staatsopera o.l.v. Will Humburg. Naxos 8.1101198/9 (2 cd’s). 1996

Tito Gobbi, Rolando Panerai, Elisabeth Schwarzkopf, Fedora Barbieri, Nan Merriman, Luigi Alva, Anna Moffo met het Philharmonia orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 567.083-2 (2 cd’s) 1956

Giuseppe Taddei, Rolando Panerai, Raina Kabaivanska, Christa Ludwig, Trudeliese Schmidt, Francesco Araiza, Janet Perry met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Philips 412.263-2, DG 447.686-2 (2 cd’s). 1980

Giacomo Rimini,  Emilio Ghirardini, Pia Tasssinari, Aurora Buades d’Alessio, Rita Monticone, Roberto d’Alessio, Ines Alfani-Telini met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Lorenzo Molajoli. Grammofono 2000 AB 7868081 (2 cd’s mono). 1932

Juan Pons, Roberto Frontali, Daniella Dessi,  Manda, Bernadette Maria di Nissa, Dolores Ziegler, Ramon Vargas, Maureen O’Flynn met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Riccardo Muti. Sony 58961 (2 cd’s). 1993

Leonard Warren, Giuseppe Valdengo, Regina Resnik, Cloë Elmo, Martha Lipton, Giuseppe di Stefano, Licia Albanese met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. Fritz Reiner. Istituto discografico Italiano IDS 6373/4 (2 cd’s mono). 1949

Giuseppe Taddei, Saturno Meletti, Rosanna Carteri, Amalia Pini, Maria Canali, Emilio Renzi, Lina Pagliughi met het omroeporkest Turijn o.l.v. Mario Rossi. Preiser PR 20003 (2 cd’s mono). 1949

Mariano Stabile, Paolo Silveri, Renata Tebaldi, Cloë Elmo, Maria Canali, Cesare Valletti, Rosanna Carteri met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Victor de Sabata. Music & Arts CD 1104 (2 cd’s mono). 1952

Mariano Stabile, Tito Gobbi, Franca Somigli, Cloë Elmo, Vittoria Palombini, Fernando Tagliavini, Augusta Oltrabella met het Ensemble van de Opera Rome o.l.v. Tullio Serafin. Music & Arts CD 1104 (2 cd’s mono). 1941

Geraint Evans, Robert Merrill, Ilva Ligabue, Giulietta Simionato, Rosalind Elias, Alfredo Kraus, Mirella Freni met het RCA Italiana orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 417.168-2 (2 cd’s). 1963

José van Dam, Paolo Coni, Luciana Serra, Marjana Lipovsek, Susan Graham, Luca Canonici, Elizabeth Norberg-Schulz met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 440.650-2 (2 cd’s). 1993

Mariano Stabile, Piero Biasini, Franca Somigli, Angelica Cravcenko, Mita Vasari, Dino Borgioli, Augusta Oltrabella met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Bongiovanni GB 1137/8(2 cd’s mono). 1937

Giuseppe Valdengo, Frank Guarrera, Herva Nelli, Cloë Elmo, Nan Merriman, Antonio Madasi, Teresa Stich-Randall met het NBC symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA 74321-72372-2 (2 cd’s mono). 1950 

In het Duits

Hans Hotter, Arno Schellenberg, Henny Neumann-Knapp, Fichtmüller, Else Tegetthoff, Philipp Rasp, Martina Wulf met het Leipzigs omroeporkest o.l.v. Hans Weisbach. Preiser PR 90200 (2 cd’s mono). 1939 

In het Engels

Andrew Shore, Ashley Holland, Yvonne Kenny, Rebecca de Pont Davies, Alice Coote, Barry Banks, Susan Gritton met het Ensemble van de English national opera o.l.v. Paul Daniel. Chandos CHAN 3097 (2 cd’s). 2001 

Elgar: Falstaff

Barbirolli. EMI 566.322-2.

Rattle. EMI  555.001-2. 

Salieri: Falstaff

Veronesi. Chandos CHAN 9613. 1997

 

Nicolai: Die lustigen Weiber von Windsor

Kubelik. Decca 460.197-2 (2 cd’s).

Heger. EMI 769.348-2 (2 cd’s).

 

VHS beeldband, Laserdisc beeldplaat, DVD-Video

Renato Bruson, Leo Nucci, Katia Ricciarelli, Lucia Valentini Terrani, Brenda Boozer, Dalmacio Gonzalez, Barbara Hendricks met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. NVC 3984-26656-3 (VHS). 1982

 

Bryn Terfel, Roberto Frontali, Barbara Frittoli, Bernadette Manca di Nissa, Diana Montague, Kenneth Tarver, Desirée Rancatore met het Ensemble van het Glyndebourne festival o.l.v. Bernard Haitink. BBC Opus Arte BBCDVD 1025 (dvd-v). 1999

Giuseppe Taddei, Rolando Panerai, Raina Kabaivanska, Christa Ludwig, Trudeliese Schmidt, Francisco Araiza, Janet Perry met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Sony SHV 48422 (VHS). 1982

Paul Plishka, Bruno Pola, Mirella Freni, Marilyn Horne, Susan Graham, Frank Lopardo, Barbara Bonney met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. James Levine. DG 072-434-3 (VHS). 1992

Willard White, Marcus Jupither, Geraldine McGreevy, Miah Persoon, Yann Beuron, Nora Gubisch, Charlotte Hellekant, Wolfgang Ablinger-Sperrhacke en het Orchestre de Paris o.l.v. Enrique Mazzola. ArtHaus 100.344 (dvd-v). 2001

Ambrogio Maestri, Roberto Frontali, Barbara Frittoli, Inva Mula, Juan Diego Flórez, Bernadette Manca di Nissa met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Riccardo Muti. TDK DV-OPFAL (dvd-v). 2001

Donald Gramm, Benjamin Luxon, Griffel, Nucci Condo, Penkova, Max-René Cosoti, Elisabeth Gale met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. John Pritchard. Primetime SLL 7014 (VHS). 1977

Gabriel Bacquier, Richard Stilwell, Sheila Armstrong, Márta Szirmay, Sylvia Lindenstrand, Max-René Cosoti, Jutta-Renate Ihlhof met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 071—403-1 (Laserdisc). 1979

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site