VERDI: OTELLO

VERDI: OTELLO

 

Zo elektriserend als Verdi’s Otello begint feitelijk geen enkele andere opera, maar zo desillusionerend als deze eindigt ook geen ander brok muziektheater. De tragedie van de in Venetië tot macht en roem gekomen Moor uit Cyprus van Shakespeare heeft de geboren theaterman Verdi geïnspireerd tot een genuanceerde en gerijpte expressiekunst. Het drama van Shakespeare wordt tegenwoordig om begrijpelijke reden niet zo vaak meer opgevoerd, de opera van Verdi wel want die is nog een regelmatig repertoirestuk.

 

Achtergronden

Over het geheel genomen maakte Verdi weinig vergissingen. Meteen vanaf het begin van zijn carrière had hij een natuurlijk instinct voor het toneel en zelfs zijn allereerste opera, Oberto, is een ongewoon zelfverzekerd brok muziek. Het is gangbaar om daaraan frasen als “ ondanks alle onrijpheid” aan toe te voegen en inderdaad wat gevoeliger zielen huiveren bij de stampende ritmen en de brutale orkestratie van de grote melodieën bij de vroege Verdi. Al in zijn eigen tijd verontrustte dat de mensen: het leek wel alsof hij de grote traditie van het bel canto opofferde in het belang van een nieuwe melodramatische sensatie.

Intussen is de “jonge Verdi” herontdekt en is duidelijk geworden dat deze “onrijpheid en grofheid” de eerste roerselen waren van een nieuwe visie: de visie namelijk hoe de door hem geërfde operatraditie moest veranderen. Verdi’s revolutie voltrok zich op verschillende fronten; zelf zou hij ze misschien hebben samengevat onder één noemer: waarheid. Weg dus met de gewoonte dat elke hoofdrolvertolker ten tonele moet verschijnen met een dubbele aria (eerst een langzaam gedeelte of cavatina, gevolgd door een uitdagend snelle caballetta). Waarom ook moest de handeling tot stilstand komen zodra drie of meer personen tegelijk en dan bovendien nog dezelfde muziek zongen en een plaatsje innamen voorop het podium (“als groente in een marktkraam”, zoals Rossini zei)? En waarom moest de opera zich beperken tot primaire kleuren wanneer menselijke emoties werden uitgebeeld? Geconfronteerd met dergelijke vragen, antwoordde Verdi graag: “Vraag dat maar aan Papa”. Papa was voor hem Shakespeare, de grootste dramaticus sinds de Grieken en het toonbeeld van wat hij wilde dat een opera moest zijn.

Verdi vond zijn weinige idolen – Michelangelo, Dante, Schiller en helemaal voorop Shakespeare – buiten de muziek. Wie zijn villa in Sant’Agata bezoekt, treft in zijn slaapkamer nog steeds twee complete, min of meer stukgelezen banden met Shakespeare’s complete werken aan naast die van Dante en Schiller. Als eerste vrucht van die bewondering voor de Engelse toneelschrijver ontstond in 1847 Macbeth, maar dat was niet zijn eerste poging om een thema van Shakespeare als uitgangspunt te kiezen. Al in 1844 stonden King Lear, Hamlet en The Tempest zogezegd op zijn verlanglijst. Lear bleef zijn hele leven een uitdaging; helaas is het er nooit van gekomen, al werkte hij wel met Antonio Somma aan en libretto.

In 1879 liet Giulio Ricordi, de muziekuitgever, terloops tijdens een diner met Verdi de naam Otello vallen als mogelijke operastof. Maar hij sprak ook over dichter/componist Arrigo Boito, intussen bekend dankzij zijn eigen opera Mefistofele, maar ook omdat hij libretti voor o.a. Faccio en Ponchielli had geschreven. Verdi toonde interesse en de gemobiliseerde Boito toog aan het werk. Hij bleek de gezochte gelijkgestemde die bovendien in staat bleek om het lange toneelstuk te comprimeren tot een strak drama dat op muziek kon worden gezet. De 3000 regels van het origineel werden teruggebracht tot 800. Niettemin waren er nog twistpunten. Boito wilde bijvoorbeeld de hele 1e akte van Shakespeare weglaten, Verdi verlangde een pakkende massascène die bij Shakespeare niet voorkwam om de derde akte te eindigen. Zo duurde het nog vier jaar voordat Verdi aan de muziek begon. Eén van zijn motto’s luidde immers: “Bondigheid, Duidelijkheid, Waarheid”. Najaar 1885 was Verdi tenslotte klaar, maar pas in januari 1886 werd definitief voor de titel Otello gekozen en verviel de oorspronkelijke, maar heel kenmerkende benaming Iago. Het duurde zelfs nog tot mei van dat jaar voordat Verdi besloot tot de pakkende opkomst van Otello met zijn “Esultate”.

De première van het werk in La Scala, 5 februari 1887, was een triomf. Franceso Tamagno zong de titelrol, Romilda Pantaleoni was Desdemona en Victor Maurel Iago; Franco Faccio dirigeerde. De gerijpte Verdi had de tragedie met een meesterlijke beheersing van vrije structuren op muziek gezet. Melodie, ritme en harmonie worden zorgvuldig en subtiel gecombineerd om dit werk tot een van de meest direct aansprekende en pakkendste operapartituren uit de hele operawereld te maken. Maar Verdi stelt wel zeer hoge eisen aan de dirigent en alle hoofdrolspelers, die zonder uitzondering acteurs met indrukwekkende stemmen moeten zijn. 

Shakespeare, zei Verdi, had best een door en door slecht iemand als Iago kunnen tegenkomen of iemand die zo joviaal laakbaar was als Falstaff en in dergelijke gevallen imiteerde, of liever gezegd verbeterde hij de waarheid en de werkelijkheid. Maar Desdemona of Cordelia? Nee, daar had Papa de werkelijkheid bedacht. Stel je voor! Overigens was die Falstaff (1893) Verdi’s laatste eerbetoon aan Shakespeare en tevens zijn laatste opera.

Al met al vergde Otello tussen 1879 en 1886 dus meer tijd van Verdi dan welke van zijn andere opera’s ook. Maar zestien jaar na Aida bereikte Verdi hier ook nieuwe dramatische hoogten. Deze opera markeert de culminatie van de volmaakt doorgecomponeerde Italiaanse opera (in de Duitse opera kenden ze Wagner al op dit gebied), waarin elke akte zich voltrekt als een gesloten dramatisch geheel waarbinnen de afzonderlijke scènes een intrinsiek deel van het geheel vormen en de handeling intensiveren in plaats van deze op te houden.

Natuurlijk deelt Verdi deze roem met Boito die om te beginnen de hele eerste akte van Shakespeare’s stuk liet vallen en die zich vervolgens concentreerde op een karakterschets van de drie hoofdfiguren en die veel meer aandacht schonk aan Iago dan Shakespeare. De oorspronkelijke werktitel Iago wekt dan ook nauwelijks verwondering.

 

De opnamen

De Otello van Verdi is een van die opera’s die staat of valt met de bezetting van de titelrol. De aan die rol gestelde eisen zijn immens. Dat het werk niet zo vaak wordt opgevoerd, heeft daarom zeker ook te maken met het feit dat het moeilijk is om hiervoor een capabele dramatische tenor te vinden, die het risico wil nemen om deze in potentie riskante rol op zich te nemen. De belangrijkste huidige tenor die met deze rol wordt geassocieerd is natuurlijk Placido Domingo. Hem treffen we daarom veelvuldig aan net als zijn grote voorgangers Ramon Vinay en Jon Vickers, maar ook komen we Martinelli, McCracken, del Monaco en zelfs Pavarotti tegen.

Om te beginnen heeft het nooit aan interessante historische opnamen ontbroken. In chronologie zijn daar: Sabajno (1929), Panizza (1938 en 1941), Toscanini (1947), Busch (1948), Furtwängler (1951) en typisch genoeg met een Duitse versie Böhm (1944 vlak voordat de Weense Staatsopera werd gebombardeerd).

Interessant zijn vooral de in de New Yorkse Met gemaakte opnamen. Die van Toscanini genoot jarenlang de beste reputatie als een echt klassieke versie. Het gaat ook hier om een heel pakkend geheel met Ramon Vinay als overweldigende, maar ook ontroerende Otello, al lijkt hij wat te baritonaal, Valdengo als heftig insinuerende, nauwkeurig zingende Iago en Herva Nelli als een ietwat anonieme, maar zuivere Desdemona. Maar in feite is de een jaar later ontstane versie, ook met Ramon Vinay nog beter. De tenor steekt in betere vorm, wordt minder opgejut en hij wordt terzijde gestaan door Leonard Warren als hevig insinuerende, maar ook subtiele Iago en Licia Albanese die in uitstekende vorm verkeert en van haar “Ave Maria” een hoogtepunt maakt.

Maar bij de echt oude opnamen is het vooral die van Panizza uit 1938 die de volle aandacht verdient, de matige geluidskwaliteit ten spijt. Het werk is zelden pakkender en beter naar Verdi’s opvattingen geregistreerd. Panizza is een sterk onderschatte dirigent (hij werkte in de jaren twintig van de vorige eeuw als tijdgenoot van Toscanini aan de Scala) die hier een opvoering  vol frappante kracht maar ook blijkgevend van een grote gevoeligheid leidt. Het resultaat is even effectief in detail als in zijn gehele vorm. Tegen het eind van zijn loopbaan zong Martinelli nog een keer zijn Otello en vracht daarbij een rijke ervaring mee als Verdi vertolker. Hij geeft blijk van veel sindsdien ongeëvenaard pathos, plaatst accenten van een buitengewone luidklinkendheid  en weet Verdi’s copieuze aanduidingen fraai te volgen. Hij had langdurig samengewerkt met Lawrence Tibbett, een van de grootste baritons uit de eerste helft van de vorige eeuw, die een goed, maar ook subtiel gezongen Iago neerzet. In al zijn duivelsheid heel geloofwaardig. Elisabeth Rethberg maakt het trio vol met haar soeverein gezongen en tere Desdemona.

Voor een waar buitenbeen zorgde Furtwängler in Salzburg in 1951. Het gaat om een doorleefde opvoering vol uitersten. Tegenover de tere expressie van het liefdesduet uit de 1e akte en Desdemona’s slotscène staat de felle attaca van de dramatische hoogtepunten. Het eedduet van Otello en Iago in de 2e akte is bijvoorbeeld heel dramatisch en de helderheid van Ramon Vinay in de titelrol en Paul Schoeffler als heldere, maar uitgesproken Duitse Iago wint hierdoor aan kracht. Dragica Martinis die slechts een heel korte loopbaan had, is een ontroerend tere en charmante Desdemona. Van de opname mag men natuurlijk geen wonderen verwachten.

Uit 1997 daarentegen dateert de goedkope uitgave van Discover, een soort Naxos alternatief met overlappende uitvoeringen. Alexander Rahbari dirigeert het werk met theatraal flair, maar ziet menig detail over het hoofd, het orkest reageert enthousiast maar niet erg fijnzinnig en het koor draagt enthousiast bij aan het geheel. De solisten zijn geen wereldberoemdheden, maar beslist ook niet tweederangs. Het is lastig de Otello van Nicola Martinucci te omschrijven. Hij beschikt over de kracht, het bereik en de heroïek die voor deze rol vereist zijn, maar zijn dictie en zijn gelispel zijn misplaatst. De Maltese Miriam Gauci heeft veel positieve kwaliteiten als Desdemona: ze heeft een heldere stem, klinkt jeugdig en treffend kwetsbaar. Maar ook verontrustend ongelijkmatig. Eduard Tumagian is een weliswaar krachtige, maar weinig persoonlijke Iago die wel iets van diens valse bonhomie en zwier laat horen, doch weinig van zijn satanische karakter. Zelfs als goedkopere oplossing kan deze opname niet echt worden aanbevolen.

In december 1976 dirigeerde Carlos Kleiber Verdi’s opera in La Scala. Hier dus geen spoor van het berekenende en koele dat hij soms in studio producties toont. Integendeel, hoogspanning is troef en de intensiteit herinnert aan Toscanini. Eens temeer steekt Domingo, die net een reeks opvoeringen in Hamburg en Parijs achter de rug had, in uitstekende vorm. Zijn persoonlijke uitstraling is bijzonder groot, ook hier weer en interpretatief valt niets op hem aan te merken. Een andere glansrol is weggelegd voor Mirella Freni, fris als altijd, maar ook zoetgevooisd en zich kwetsbaar opstellend. De Iago van Cappuccilli is in zuiver muzikaal opzicht heel goed, maar iets aan het sinistere karakter ontbreekt hier. Storend zijn de vele bijgeluiden van het toneel.

Een tegenvallende Iago teistert de live opname van Solti. Luciano Pavarotti zingt met gouden tonen en ontroerende accenten een zeer Italiaanse Otello zonder het vocale gewicht voor deze rol te bezitten, maar hij suggereert wel de toestand van de gekwelde Moor en diens tragische lot met behulp van een heldere, stevige toon en een ongeforceerde dictie. Kiri te Kanawa is een warmbloedig klinkende, maar wat te introverte, anonieme Desdemona. Maar in haar scena uit de vierde akte is ze gelukkig heel ontroerend.  Doch ook hier is Leo Nucci een te tweedimensionale, vulgaire en veel te agressieve Iago. Solti gaat zoals meestal nogal hectisch, op het neurotische af te werk en dwingt met name Pavarotti tot snellere tempi dan gewoonlijk. Maar het orkestspel van het Chicago orkest is imposant. Storend is de zeer directe opname die echte pianissimi uitsluit.

De tweede, Weense opname van Solti klinkt warmer en verfijnder dan de Amerikaanse versie. Ster is hier feitelijk Margaret Price als verbeeldingsvolle, tere, veelzijdige Desdemona; Carlo Cossutta toont in de titelrol minder karakter, maar hij is wel een gevoelige zanger. Gabriel Bacquier echter is te bedachtzaam als Iago en hij beschikt over een helaas mager hoog register.

De opera wordt ook stevig neergezet door Tullio Serafin (altijd al een voorbeeldig Verdivertolker), die beschikt over een scrupuleus en heldhaftig zingende Otello van de toen nog jonge Jon Vickers, Tito Gobbi’s manipulatieve, quasi lachende Iago en Leonie Rysaneks lyrische, fijnzinnige Desdemona. Vooral vanwege Gobbi verdient deze opname aandacht; hij was niet voor niets de beste en bekendste vertolker van deze rol in de naoorlogse jaren. Zuiver vanuit de zang bezien, levert Vickers een prachtprestatie, zijn stem is heel fraai en de ampleur van zijn hoge register is verrassend. Ook in stilistisch opzicht is hij erg goed en heel scrupuleus; hij vermijdt zorgvuldig erg ingeslopen effect dat niet in de partituur is geautoriseerd en houdt zich mat name goed aan de piano aanduidingen. Serafin dirigeert op een manier die het mogelijk maakt om alles duidelijk te horen, ziet misschien wat opwindende momenten over het hoofd maar bezondigt zich nooit aan goedkope effecten of sentimentaliseren.

In zijn op een na laatste opname – en in menig opzicht beste - uit 1985 zorgt Placido Domingo bij Maazel gestalte aan een resolute, intense Otello die goed terzijde wordt gestaan door Katia Ricciarelli’s zachtaardige, tere en kwetsbare maar ook erg vrouwelijke Desdemona. Jammer alleen dat de Iago van Justino Diaz enigszins teleurstellend is met een te subtiele, nogal basrijke stem. Het gaat hier in wezen om de soundtrack van de verfilming door Franco Zeffirelli. Dit is waarschijnlijk de opwindendste versie ooit. Maazel is hier een uiterst dramatische en theatrale dirigent, maar wel iemand die zich zowel bewust is van de noodzaak tot welsprekendheid en pathos waar het gaat om de uitdrukking van Otello’s centraal staande innerlijke strijd als het heel andere pathos van Desdemona. Bij dat alles krijgt hij alle denkbare steun van het Scala ensemble. De strijkersklank is warm, het koper klinkt fel en de koorzang komt mooi uit dankzij de ruimtelijk afgewogen opname. Maar nogmaals, het is Domingo die de show steelt. Toen hij deze rol opnam had hij hem al minstens honderd maal gezongen en telkens wist hij weer duidelijk te maken hoe Otello’s ziel op de pijnbank ligt, zowel door steeds meer jaloersmakende details los te maken bij Iago en door Desdemona de les te lezen. Erg ontroerend is hij in het duet uit de derde akte en de dood is des te treffender doordat deze ingehouden klinkt. De momenten van felle beheersing voor zijn ruziënde ondergeschikten in de eerste akte en voor de Venetiaanse afgezanten in de derde bezitten precies de juiste mate aan autoriteit. Heeft ooit een andere Otello aan de andere kant ook zo’n fraai legato ter beschikking gehad als Domingo laat horen in het liefdesduet?

Op RCA bracht Levine een goed team bijeen. Opnieuw is het verzameld rond de voortreffelijke Domingo, hier glorieus heldhaftig, maar ook teer. Renata Scotto heeft het wat moeilijk in het hoge register als Desdemona en ze ontbeert de kracht voor het ensemble aan het eind van de derde akte, maar ze zorgt tenminste voor een mooi doorleefde vertolking die culmineert in het treffende wilgenlied en Ave Maria uit de vierde akte. Milnes is een kernachtige Iago, een quasi nobel en viriel iemand met helaas heel slechte eigenschappen.

Tot slot is daar de vrij recente Parijse opname van Chung, die zich met zijn dwingende aanpak en zijn vrijzwevende tempi die met name Domingo de ruimte geven ontpopt als een puike Verdi interpreet. In deze vierde en laatste opname waaraan Domingo meewerkte, is hij in andere opzichten op zijn best. Dat betreft vooral de vrijere expressie van zijn voordracht en zijn schijnbaar nog grotere engagement. Maar vergeleken met zijn eerste opname – onder Kleiber in ’76 – was hij heroïscher en minder baritonaal net als in zijn tweede uit 1978 met Levine. Pas aan het slot, in het teer gezongen Niun mi tema werpt dat positief vruchten af. Cheryl Studer levert met pure, mooi volle toon een van haar beste prestaties als Desdemona en Serge Leiferkus is een echt boosaardige, huiveringwekkende Iago, ook al klinkt hij nauwelijks Italiaans en haast te grofkorrelig. Niet iedereen zal daarvan houden.

 

Conclusie

Wie uit is op een in alle opzichten – artistiek allround goede en opnametechnisch zo volmaakt mogelijke – optimale versie, komt tenslotte uit bij Chung. Maar met name ook Serafin, Levine, Maazel en Solti (Chicago) overtuigen in behoorlijk hoge mate.

Discografie

James McCracken, Geraint Jones, Dietrich Fischer-Dieskau e.a. met het Ambrosian opera koor en het Philharmonia orkest o.l.v. John Barbirolli. EMI 565.296-2 (2 cd’s). 1968

 

Ramon Vinay, Licia Albanese, Leonard Warren e.a. met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. Fritz Busch. Preiser 90377 (2 cd’s). 1948

 

Placido Domingo, Cheryl Studer, Serge Leiferkus met het Ensemble van de Bastille opera Parijs o.l.v. Myung-Whun Chung. DG 439.805-2 (2 cd’s). 1993

 

Mario del Monaco, Renata Tebaldi, Aldo Protti e.a. met het Ensemble van de Santa Cecilia academie o.l.v. Alberto Erede. Decca 440.245-2 (2 cd’s). 1954

 

Ramon Vinay, Dragica Martinis, Paul Schoeffler e.a. met het Ensemble van de Weense Staatsopera o.l.v. Wilhelm Furtwängler. EMI 565.751-2 (2 cd’s). 1951

 

Mario del Monaco, Renata Tebaldi, Aldo Protti e.a. met het Ensemble van de Weense Staatsopera o.l.v. Herbert von Karajan. Decca 411.618-2 (2 cd’s). 1961

 

Jon Vickers, Mirella Freni, Peter Glossop met het koor van de Deutsche Oper Berlijn en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 769.308-2 (2 cd’s). 1973

Placido Domingo, Mirella Freni, Piero Cappuccilli e.a. met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Carlos Kleiber. Music & Arts CD 1043 (2 cd’s). 1976

Jon Vickers, Raina Kabaivanska, Gian Piero Mastromei e.a. het het Ensemble van het Colón theater Buenos Aires o.l.v. Berislav Klobucar. Atrium ATR 005/6 (2 cd’s).

Corneliu Murgu, Maria Guleghina, Renato Bruson e.a. met het Fujiwara opera koor en het Tokio filharmonisch orkest o.l.v. Gustav Kuhn. Schwann 314074 (2 cd’s). 1991

Placido Domingo, Renata Scotto, Sherrill Milnes e.a. met het Ambrosian opera koor en het Nationaal filharmonisch orkest o.l.v. James Levine. RCA 74321-39501-2 (2 cd’s). 1978

Giuseppe Giacomini, Margaret Price, Matteo Manuguerra e.a. met het Slowaaks filharmonisch koor en het Bordeaux-Aquitaine nationaal orkest o.l.v. Alain Lombard. Forlane 216774 (2 cd’s). 1996

 

Placido Domingo, Katia Ricciarelli, Justino Diaz e.a. met het Ensemble van La Scala, Milaan o.l.v. Lorin Maazel. EMI 747.450-2. 1985

Giovanni Martinelli, Elisabeth Rethberg, Lawrence Tibbett e.a. met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. Ettore Panizza. Music & Arts CD 645 (2 cd’s). 1938

Giovanni Martinelli, Stella Roman, Lawrence Tibbett e.a. met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v.Ettore Panizza. Arkadia 50003 (2 cd’s). 1941

Nicola Martinucci, Miriam Gauci, Eduard Tumagian e.a. met het Ensemble van het Teatro liceo Barcelona o.lv. Alexander Rahbari. Koch Discover DICD 920435/6 (2 cd’s). 1996

 

Nicola Fusati, Maria Carbone, Apollo Granforte e.a. met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Carlo Sabajno. Grammofono 2000 AB 7865152 (2 cd’s). 1929/30

Jon Vickers, Leonie Rysanek, Tito Gobbi e.a. met het Ensemble van de Opera te Rome o.l.v. Tullio Serafin. RCA GD 81969, 09026-63180-2 (2 cd’s). 1960Carlo Cosutta, Margaret Price, Gabriel Bacquier e.a. met het Ensemble van de Weense Staatsopera o.l.v. Georg Solti. Decca 460.756-2 (2 cd’s). 1977

Luciano Pavarotti, Kiri te Kanawa, Leo Nucci e.a. met het koor van de Metropolitan opera en het Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 433.669-2, 460.756-2 (2 cd’s). 1991

Ramon Vinay, Herva Nelli, Giuseppe Valdengo e.a. met het NBC koor en –symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60302 (2 cd’s). 1947

In het Engels

Charles Craig, Rosalind Plowright, Neil Howlett e.a. met het Ensemble van de English National opera o.l.v. Mark Elder. Classics for Pleasure CFPD 4736 (2 cd’s). 1983 

In het Duits

Torsten Ralf, Hilde Konetzni, Paul Schoeffler e.a. met het Ensemble van de Weense Staatsopera o.l.v. Karl Böhm. Preiser 90230 (2 cd’s). 1944

 

Video

Jon Vickers, Mirella Freni, Peter Glossop e.a. met het koor van de Deutsche Oper Berlijn en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 073-404-0. (dvd).

 

Placido Domingo, Renée Fleming, James Morris, e.a. met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. James Levine. DG 073-092-9 (dvd).

Vladimir Atlantov, Kiri te Kanawa, Piero Cappuccilli e.a. met het Ensemble van de Opera Verona o.l.v. Zoltan Pesko. NVC Arts 4509-99214-3 (vhs). 1982

Mario del Monaco, Rosanna Carteri, Renato Capecchi e.a. met het Ensemble van de Omroep Milaan o.l.v. Tullio Serafin. BCS BCS 0004 (vhs). 1958

Placido Domingo, Kiri te Kanawa, Serge Leiferkus met het Ensemble van Covent Garden o.l.v. Georg Solti. Pioneer PLMCC 00851 (ld), CGP CVI 11718. (VHS)

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site